Het doolhof dat woningmarkt heet, barst van de vreemde wezens. Daarom vinden wij het hoog tijd voor een beschrijving van deze figuren. Starters, doorstromers, scheefwoners, pandjesbazen, grootstedelingen die naar de provincie trekken en urban expats…Waar hoor jij thuis?

Toen in 2008 de kredietcrisis losbarstte, was het vooral de daarop volgende malaise op de huizenmarkt die Nederland in mineur hield. Door de relatief hoge Nederlandse hypotheekschuld voelden mensen zich ‘arm’ en hielden ze hun portemonnee dicht.

Onze economie klom daardoor net iets later uit het slob dan andere Europese landen. Toen diezelfde huizenmarkt na het dieptepunt in 2013 weer op gang kwam, steeg ook het vertrouwen van mensen weer en durfden ze eindelijk ‘die nieuwe auto’ te kopen.

De huizenmarkt was dus bepalend voor een groot deel van het Nederlandse consumentenvertrouwen. Er wordt dan ook eindeloos veel over gepraat en geschreven. Wat doet de hypotheekrente? Hoe hoog zijn de huizenprijzen? Wat doen de vrije sector-huren? Hoe zit het met de voorraad sociale huurwoningen? Wie kopen, wie huren en wie vallen buiten de boot?

In die berichtgeving kom je dikwijls types tegen die staan voor een bepaalde groep in de woningmarkt. De een zal je bekender in de oren klinken dan de ander. Zo komen vaak starters en doorstromers aan bod, maar wat is een dure scheefwoner ook alweer? Misschien ben je er zelf wel een?!

Dit is Business Insider’s wie-is-wie-gids voor de woningmarkt:


1. De starter – de pineut op de woningmarkt door strengere regels en hoge huizenprijzen

Over starters wordt de laatste jaren veel geschreven omdat ze het nogal moeilijk hebben op de huizenmarkt. Laat je niet misleiden door deze term die specifieker bedoeld is, dan je op het eerste gezicht denkt.

Als een bericht kopt met “Starter krijgt geen voet tussen de deur op woningmarkt”, dan wordt daarmee specifiek iemand bedoeld die een eigen woning wilt kopen. Een starter is dus niet iemand die wil huren.

En met woningmarkt wordt niet de hele markt bedoeld, maar alleen de koopmarkt. Wel worden starters vaak in één adem genoemd met vrije sector-huur, omdat ze daarop zijn aangewezen als ze misgrijpen op de koopmarkt.

Starters zijn vaak twintigers of dertigers die nog nooit eerder een woning hebben gekocht. Ze hebben nu zo’n beetje de slechtste positie op de koopmarkt ten opzichte van de andere types.

Dat komt onder meer door de hoge huizenprijzen en omdat de overheid na de huizencrisis de hypotheekregels heeft aangescherpt, waardoor je nu minder kunt lenen dan vóór 2013.

Zo is de tophypotheek beperkt tot maximaal 100 procent van de woningwaarde. Bovendien moet je, om in aanmerking te komen voor hypotheekrenteaftrek, de schuld binnen 30 jaar aflossen. Dat betekent dus hogere lasten dan als je een aflossingsvrije hypotheek zou afsluiten, wat de starters van vroeger nog wel konden met behoud van hypotheekrenteaftrek.

Nu denk je misschien: hoge huizenprijzen, regels, daar heeft iedereen toch last van? Nee, dat gaat dus niet helemaal op. Sommige types bivakkeren al langer op de koopmarkt waardoor ze voordeel hebben ten opzichte van de starter.


2. De doorstromer – heeft de crisis moeten doorstaan, maar profiteert nu

Huizenmarkt

Een doorstromer is iemand die een woning koopt of heeft gekocht en daarbij een koopwoning achterlaat. Ook deze term kan verwarring brengen. Bij sociale huur is iemand die een sociale huurwoning achterlaat ook een doorstromer. Maar dit wordt in berichtgeving meestal niet bedoeld: het gaat vaak om woningeigenaren die verhuizen naar een andere koopwoning.

Ooit was de doorstromer een starter. Als hij of zij vóór 2013 kocht, dan was het makkelijker om aan een hypotheek te komen dan nu. De hypotheekrente lag weliswaar op een hoger niveau, maar de inkomenstoets voor het berekenen van de maximale hypotheek was minder zwaar.

Er kon bovendien meer worden geleend ten opzichte van de woningwaarde (105 procent) en men kon meer hypotheekvormen afsluiten, waaronder de aflossingsvrije hypotheek. Daarmee betaalde je alleen rente en geen aflossing. Met die lagere hypotheeklasten kon je ook meer lenen.

Het zal niet allemaal rozengeur en maneschijn zijn geweest voor veel doorstromers. Een deel is met zijn koopwoning in de nasleep van de crisis van 2008 terechtgekomen, waarbij de waarde van veel koopwoningen onder het niveau van de hypotheek zakte. Deze woningen stonden dus onderwater. Wie zijn huis al dan niet gedwongen moest verkopen, kwam met een restschuld te zitten.

Voordelen voor de doorstromer

Maar voor wie bleef zitten waar-ie zat, wachtend op betere tijden, is er nu niks aan het handje. In heel Nederland liggen de huizenprijzen op het niveau van voor de crisis. Als de doorstromer op rooftocht gaat, op zoek naar een andere koopwoning, dan kan deze potentiële koper twee voordelen hebben ten opzichte van de starter.

Eén: de doorstromer verkoopt een huis en dat betekent in deze tijd dat hij of zij zeer waarschijnlijk een overwaarde heeft die weer in het nieuwe huis kan worden gestoken. Vervelend voor starters zonder extra zak geld die daar tegenop moeten bieden.

Twee: doorstromers die vóór 2013 een aflossingsvrije hypotheek hadden afgesloten, kunnen deze deels meenemen naar hun nieuwe woning en onder voorwaarden met behoud van hypotheekrenteaftrek. De meeste geldverstrekkers financieren maximaal 50 procent van de woningwaarde aflossingsvrij, maar er zijn uitzonderingen waarbij bijvoorbeeld 75 procent kan worden geleend omdat bijvoorbeeld de maandlasten laag zijn.


3. De goedkope scheefwoner – blijft lekker in een sociale huurwoning plakken

Foto: Unpslash

Je zult in berichtgeving het woord scheefwoner weleens zijn tegengekomen, vaak in de context van doorstroming op de woningmarkt. Het inkomen van de scheefwoner is eigenlijk te laag of te hoog voor de huurprijs van de woning die hij of zij bewoont.

Als de scheefwoner in berichtgeving wordt genoemd, dan wordt daar meestal de goedkope scheefwoner in de sociale huur mee bedoeld: deze bewoner woont te goedkoop als je kijkt naar het inkomen ten opzichte van de huurprijs.

Sociale huurwoningen zijn woningen met een huurprijs van zo’n maximaal 720 euro, de zogenoemde liberalisatiegrens. Huizen met huren boven die grens heten in de volksmond vrije sector, een benaming die officieel niet helemaal klopt.

Voor het gemak gebruiken we de term vrije sector in dit artikel wel voor dure huurwoningen met een prijs boven de liberalisatiegrens. Het aantal punten dat wordt toegekend aan de woning op basis van het Woningwaarderingstelsel (WWS), bepaalt of het huis in aanmerking komt voor een huur boven de liberalisatiegrens.

Woningcorporaties, die het gros van de Nederlandse huurvoorraad bezitten, hebben bij sociale huur rekening te houden met inkomensgrenzen van huurders. Wie te veel verdient, komt niet in aanmerking voor een woning onder de 700 euro.

Je zou denken dat de goedkope scheefwoner zijn sociale huurwoning heeft verkregen op basis van een lager inkomen en met de jaren meer is gaan verdienen. Maar voor 2011 was er geen landelijke wet die regelde dat woningcorporaties rekening moesten houden met inkomensgrenzen. Dat kon per gemeente of per woningcorporatie verschillen.

Het kan dus zijn dat iemand een sociale huurwoning toegewezen heeft gekregen op basis van een bovenmodaal inkomen en dus al vanaf het begin scheef woonde.

Inkomensafhankelijke huurverhoging

Hoe de goedkope scheefwoner ook in zijn sociale huurwoning terecht is gekomen, de wet staat niet toe dat je zomaar op straat wordt gezet als je op een gegeven moment te veel verdient. Bovendien mag de verhuurder van een sociale huurwoning, de huurprijs niet tot boven de liberalisatiegrens laten stijgen zolang de huurder er zit.

Wel is het na de crisis wettelijk mogelijk gemaakt dat verhuurders de huren extra mogen laten stijgen tot aan de liberalisatiegrens als huurders te veel gaan verdienen. Verhuurders mogen jaarlijks een inkomensafhankelijke huurverhoging doorvoeren (4,1 procent tot 5,6 procent in 2019), naast de standaardregeling voor de huurverhoging die uitgaat van de inflatie +1 procent.

Dit uitrookbeleid zou de doorstroming op de woningmarkt moeten verbeteren, maar scheefwoners kijken wel uit voordat ze hun goedkope stulpje verlaten. Op de koopmarkt stuiten ze op enorm hoge huizenprijzen die voor hen misschien niet eens haalbaar zijn en de vrije sector is ook niet echt een aantrekkelijke optie.

Overigens speelt het probleem van de goedkope scheefwoners al decennialang. Zo probeerde men ze vanaf midden jaren 90 uit hun sociale huurwoning te lokken met de bouw van vinexwijken, maar dat heeft goedkoop scheefwonen op de langere termijn dus niet opgelost. In 2007 heeft de overheid zelfs in kaart gebracht waarom deze mensen maar in hun sociale huurwoning blijven zitten, door ze te categoriseren.

Dit zijn de typen goedkope scheefwoners:

  • De plakker: deze huurder wil niet verhuizen en is beperkt gevoelig voor verleidende doorstroominstrumenten.
  • De klamper: de huurder wil niet verhuizen uit angst de sociale binding die hij heeft opgebouwd te verliezen.
  • De spaarder: deze huurder woont bewust scheef om geld te kunnen sparen voor de woning die hij op termijn wil kopen.
  • De genieter: deze huurder woont bewust scheef om geld over te houden voor luxe zaken zoals vakanties of auto’s.
  • De zoeker: deze huurder staat open voor verhuizen, maar wil een kwalitatief hoogstaande woning, waardoor hij lang moet zoeken.
  • De wachter: deze huurder wil op termijn verhuizen, maar zit op het moment goed.

 


4. De dure scheefwoner – betaalt zich blauw aan een sociale huurwoning

Uiteraard is het fenomeen goedkoop scheefwonen niet bevorderlijk voor de doorstroming op de woningmarkt. Degenen die daarvan de dupe zijn, zijn onder anderen de dure scheefwoners. Deze huurders zitten in een woning die eigenlijk te duur en/of te groot en te luxe is voor hun inkomen.  Ze hebben weliswaar recht op huurtoeslag, maar dat geldt maar over een stukje van het huurbedrag.

De tabel hieronder laat zien over welk deel een sociale huurder huurtoeslag krijgt.

Zoals je ziet krijg je geen huurtoeslag over het deel boven de aftoppingsgrens van 600 tot 650 euro. Daarom moeten dure scheefwoners een groter deel van de huurprijs zelf ophoesten dan huurders die in een ‘passende woning’ zitten. Dit knaagt aan hun besteedbaar inkomen.

In 2015 hadden dure scheefwoners gemiddeld een hoger inkomen dan huurders die in een passende woning zaten, maar na aftrek van de netto huurlasten hielden ze minder over om vrij te besteden dan de ‘passende huurders’, bleek in 2017 uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

De overheid probeert scheefwonen aan te pakken met landelijke wetgeving.

Woningcorporaties moeten 80 procent van hun woningen aan inkomens onder de 38.035 euro (2019) toewijzen terwijl tot 2021 10 procent ook mag worden toegewezen aan inkomens tussen de 38.035 euro en 42.436 euro (2019).

Bij de overige 10 procent kunnen corporaties ervoor kiezen die niet aan de doelgroep tot 42.436 euro toe te wijzen, maar ze moeten dan wel bepaalde woningzoekenden voorrang geven,  bijvoorbeeld huishoudens die kampen met gezondheids- of veiligheidsproblemen.

Daarnaast moeten corporaties ‘passend toewijzen’. Dit houdt in dat ze mensen die een inkomen hebben onder de huurtoeslaggrens, ongeveer 22.000 euro (alleenstaanden) en 30.000 euro (meerpersoonshuishoudens), in principe een woning toegewezen moeten krijgen met een huurprijs die in aanmerking komt voor huurtoeslag, dus onder de aftoppingsgrens van 606 en 650 euro. In 5 procent van de gevallen mogen corporaties deze groep een duurdere woning toewijzen.


5. De woningcorporatie

Verhuurders van sociale woningbouw mogen bij de fiscus informatie over het inkomen van huurders opvragen.

Foto ANP

In deze woningmarktgids mag de woningcorporatie niet ontbreken. Woningcorporaties zijn samen de grootste huizenbezitter/verhuurder in het land. In 2018 telde de totale Nederlandse woningvoorraad 8 miljoen woningen, waarvan 42 procent huurwoningen. Daarvan was het grootste deel een corporatiewoning, blijkt uit cijfers van het CBS. Het overige deel van de huurwoningen is in handen van ander soort verhuurders, daar komen we later op terug.

Nederland kent een rijke traditie van woningcorporaties die teruggaat naar 1852, toen de eerste woningcorporatie werd opgericht in Amsterdam. Het initiatief kwam van een aantal notabelen, die welgestelde burgers zo ver kregen 2000 gulden in de bouw van woningen te stoppen, tegen 3 procent rente. Deze woningbouw was dus vooral een particuliere aangelegenheid.

Omdat het later mogelijk was om overheidssteun te ontvangen, heeft de overheid een vinger in de pap gekregen.

Vandaag is de kerntaak van woningcorporaties nog steeds het verhuren van betaalbare woningen, oftewel sociale huurwoningen. Ze opereren dus vooral in de gereguleerde sector, wat betekent dat ze vooral woningen verhuren onder de liberalisatiegrens. Zoals we bij scheefwoners beschreven, hebben ze zich grotendeels te houden aan maximale huurprijzen, huurverhogingen en inkomensgrenzen van huurders.

Wachtlijsten voor sociale huurwoningen

Berucht zijn de wachtlijsten voor sociale huurwoningen waar je in veel gemeenten jarenlang op moet staan om in aanmerking te komen voor een huis.

Een sociale huurwoning is overigens niet de enige manier waarop je in aanraking kunt komen met een woningcorporatie. Ze verhuren ook vrije sector-woningen. Daarnaast verkopen ze ook woningen, zowel nieuwbouw als voormalig (sociale) huurwoningen. Daarnaast is een van de taken van woningcorporaties dat ze voor een leefbare woonomgeving zorgen, daar zal je wat van kunnen merken, ook als je niet in een sociale huurwoning woont.

Aangezien corporaties de grootste bezitter van huurwoningen in het land zijn, kunnen ze een van de woningeigenaren in je VvE zijn. Appartementencomplexen bestaan allang niet meer alleen uit huur- of koopwoningen maar zijn gemengd. Dat wil nog weleens botsen omdat de belangen van individuele woningeigenaren niet per se dezelfde zijn als die van een woningcorporatie.

Individuele eigenaren kunnen het bijvoorbeeld hoogtijd vinden voor onderhoud terwijl de corporatie dit nog even wil uitstellen. Woningcorporaties en andere grote verhuurders hebben vaak veel macht in de VvE omdat ze eigenaar zijn van meerdere appartementen en daarom de grootste stem hebben.


6. De particuliere verhuurder/huisjesmelker/belegger/pandjesbaas/huisbaas

Prins Bernhard van Oranje

Het gros van de Nederlandse woningvoorraad mag dan in bezit zijn van woningcorporaties, het aandeel overige verhuur groeit. De term “overige verhuurders” komt van het CBS en hieronder valt een bonte verzameling van verhuurders, oftewel woningeigenaren.

Dit kunnen particulieren zijn, maar ook bedrijven als bv’s, nv’s makelaars, zelfstandig ondernemers en vastgoedmaatschappijen. En dan zijn er nog institutionele beleggers als pensioenfondsen en beleggingsmaatschappijen die geld in woonvastgoed steken.

“Overige verhuurder” klinkt een beetje saai en nietszeggend, maar deze groep komt dikwijls in het nieuws. Dan gaat het bijvoorbeeld over grote bedrijven die hele blokken opkopen en over ‘pandjesprins’ Bernhard van Oranje die honderden adressen in zijn bezit blijkt te hebben.

Buy-to-let

 De Volkskrant heeft uitgevogeld wie de grootste particuliere huisbaas van het land is: de Rotterdamse vastgoedondernemer Aat van Herk die 6.000 huurwoningen in bezit heeft met een geschatte waarde van 1,2 miljard euro.

In de media wordt vaak gesproken over particuliere verhuurders of particuliere huisbazen als het over deze groepen gaat. Maar het CBS bedoelt met particuliere verhuurders natuurlijke personen. Soms is het één pot nat: Prins Bernhard heeft bijvoorbeeld adressen in bezit op zijn eigen naam en via een bv.

Hoe dan ook, woningen worden vaker gekocht door particulieren in bredere zin om te worden verhuurd, oftewel buy-to-let. 

Dat zou je als een goede zaak kunnen zien. Vroeger werd weleens gemopperd dat een te groot deel van de woningvoorraad in handen was  van corporaties waardoor het “middensegment” ontbrak, huren tussen de 700 en 1.000 euro. Meer vrije sector-woningen zouden een brug kunnen slaan tussen sociale huur en koop, een mooie ingang voor starters.

Maar nu het aantal vrije sector-woningen stijgt als gevolg van buy-to-let, staat men niet bepaald te juichen. Het middensegment ligt nog steeds braak aangezien de vrije sector-huren vaak boven de duizend euro liggen en voor velen niet betaalbaar zijn. Wie wil kopen, grijpt mis omdat die moet opbieden tegen beleggers met veel diepere zakken en komt zo bij diezelfde belegger terecht als huurder. Van de groep kopers zijn het uiteraard starters die aan het kortste eind trekken.

Lees in dit verband: Waarom je misgrijpt op de huizenmarkt: dit kom je als gewone huizenkoper tekort als je moet opbieden tegen een belegger

In de praktijk zijn het vooral kleine particuliere beleggers en niet institutionele beleggers tegen wie “gewone kopers” moeten opbieden. Particuliere verhuurders zijn ook vaak niet de grote jongens als Aat van Herk en Prins Bernhard. Het gros heeft maar één huurwoning in bezit, dat kunnen dus ook de ouders zijn die een woning voor een zacht prijsje aan hun studerende kind verhuren. Een kleine groep van 250 particuliere verhuurders heeft elk meer dan vijftig woningen in bezit.

Amsterdam wil buy-to-let een halt toeroepen, bijvoorbeeld met een ‘zelfwoonplicht’. Als koper van een nieuwbouwwoning moet je er zelf gaan wonen.  In de landelijke politiek gaan stemmen op om particuliere woningbeleggers zwaarder te belasten en de huurstijgingen in de vrije sector aan banden te leggen.


7. Airbnb’ers

airbnb amsterdam rolkoffers kaart populairste wijken rotterdam den haag

Foto: ANP

Airbnb’ers zijn woningeigenaren die hun huis verhuren aan toeristen via Airbnb of een ander platform als Booking.com.

Airbnb had in het begin nog wel een soort van idealistisch tintje: een zakcentje verdienen door je woning te verhuren aan een toerist als je zelf in het buitenland zat voor vakantie of werk. Soms had je dan ook nog leuk contact met de tijdelijke huurder.

Maar Airbnb heeft een onstuimige groei doorgemaakt. Dat is te zien op deze interactieve kaart die het aantal listings tussen 2008 en 2017 in Amsterdam laat zien.

De verhuur aan toeristen is zeker in de hoofdstad de spuigaten uitgelopen, vinden velen. De woningeigenaren die verhuren als ze een keer op vakantie gaan, zijn er nog steeds. Maar een andere groep eigenaren verhuurt woningen waar ze zelf niet wonen, die fungeren meer als illegaal hotel.

Dit zouden woningen kunnen zijn die anders te koop worden aangeboden of te huur aan mensen die gewoon willen wonen in plaats van vakantie vieren. In Amsterdam zijn er buurten waar bewoners hoorndol worden van de rolkoffers en het feit dat hun complex grotendeels uit tijdelijke bewoners bestaat. Het is allemaal niet goed voor de sociale cohesie in de stad.

Inmiddels wordt toeristenverhuur als Airbnb aan banden gelegd. Zo geldt in Amsterdam een registratieplicht en mag je nog maar maximaal 30 dagen per jaar verhuren. Dankzij landelijke wetgeving is het mogelijk om boetes tot zo’n tachtig duizend euro op te leggen bij illegale verhuur.

Dit lijkt effect te sorteren in Amsterdam waar het aantal Airbnb-listings tussen 2017 en 2018 gedaald. Maar in Utrecht, waar nog geen registratieplicht geldt, steeg het aantal listings met 3 procent naar 160.000.


8. De agent, de onderwijzer, de verpleger – klem op de huizenmarkt

leraar, docent, onderwijs

Agenten, leraren en leraressen, verplegers: de mensen waar we niet zonder kunnen in de samenleving zijn dikwijls onderwerp in het huizenmarktdebat.

In Amsterdam zijn ze een “bedreigde soort”, schreef Het Parool in 2016.  De beroepen staan voor de middenklasse voor wie huizen onbetaalbaar worden, zowel huur als koop. Een sociale huurwoning is ook geen optie omdat ze daarvoor te veel verdienen.

Gevolg is dat dat deze groep wegtrekt naar goedkopere gebieden, een effect dat te zien is in veel grote steden, zei hoogleraar woningmarkt aan de TU Delft Peter Boelhouwer tegen het Parool.

En dan heeft Amsterdam het nog enigszins goed. De onmisbare docent en verpleger kunnen terecht in gemeenten die relatief dichtbij Amsterdam liggen. “Dat is in Londen wel anders”, aldus Boelhouwer.


9. Het gezin dat uit de grote stad vlucht

woningmarkt, kinderen, bakfiets

Ook voor gezinnen geldt dat ze wegtrekken uit de grote steden, vaak ook omdat de stad weinig ruimte biedt en woningen er relatief klein zijn. Van de stellen die in 2012 hun eerste kind in Amsterdam, Utrecht, Den Haag en Rotterdam kregen, was respectievelijk 40, 34, 28 en 27 procent binnen vier jaar verhuisd naar een andere gemeente.

Ook in 2018 bleek dat jonge gezinnen vaker vertrekken uit grote steden dan gemiddeld in het land. In andere gemeenten verhuizen koppels met kinderen minder vaak dan koppels zonder, maar in de grote steden is dat andersom.

Het vertrek voor gezinnen kan een hard gelag worden voor steden, zeggen experts. Stedelijk geograaf Willem Boterman waarschuwde in Het Parool dat Amsterdam “te homogeen” wordt als families vertrekken. “Straks wonen hier vooral expats en alleenstaanden tussen de twintig en veertig jaar. Net als in Londen.”

Volgens Boterman zijn gezinnen in de stad belangrijk als bindmiddel. “Ze zijn relatief vaak thuis en aanwezig in de stad. Ze zorgen voor sociale cohesie en buurtbetrokkenheid. Gezinnen maken zich druk over auto’s die te hard rijden, stoplichten die niet werken. En ze geven een ander ritme aan de stad dan jonge mensen.”

Daarnaast zijn ze ook van economisch belang. Gezinnen zijn relatief welvarend en geven veel uit. Kinderen kosten nu eenmaal geld.


10. De nieuwkomer in de provincie

Foto: ANP

Die middeninkomens die in steden niet aan de bak komen, moeten natuurlijk ergens heen. Dat kan naar gemeenten rond de stad zijn en soms verder.

Eenmaal in hun nieuwe gemeente zijn ze “nieuwkomer”. Daar zijn sommige krimpgemeenten die vergrijzen blij mee. Scholen en kinderopvangcentra stromen weer vol, winkels krijgen meer klanten en sportclubs en verenigingen, met uitzondering van een enkele bingoclub, hebben aanwas van leden.

Als voormalig stadsbewoner in een dorp of in “de provincie” bivakkeren, is wel een dingetje. Google “van stad naar dorp” en je vindt diverse ervaringsverhalen, waarin ook de voordelen van een dorp worden aangestipt. Er is meer ruimte en groen, mensen groeten elkaar, alles is op fietsafstand en er is geen bloedstollende loting voor de middelbare school, om maar wat zaken te noemen.

Aan de andere kant: de afhaalmogelijkheden zijn er beduidend minder en je moet zin hebben in de betrokkenheid van bijvoorbeeld het verenigingsleven of de buurman.

Lees in dit verband ook: 14 redenen waarom het leven in Almere beter is dan in Amsterdam – en 2 (kleine) nadelen


11. De urban expat

Er is nog een ander soort nieuwkomer: de expat. Dit is een groeiende groep in Nederland die vooral de kenniseconomie draaiende moet houden. Ze vestigen zich in en rond steden als Amsterdam, Eindhoven en Den Haag.

Ze zijn veelal hoogopgeleid en hebben dikwijls een goedbetaalde baan bij internationale bedrijven in Nederland die hier moeilijk mensen kunnen vinden voor bepaalde functies. Dat is natuurlijk mooi voor die bedrijven, maar de komst van expats zou ook nadelen hebben.

Met hun dikkere portemonnee en hun haast om woonruimte te vinden, zouden ze de prijs van zowel huur- als koopwoningen opdrijven. Scholen blijken te worstelen met de toestroom van kinderen die geen Nederlands spreken en waarvan onduidelijk is hoelang ze blijven. Als expats hier inderdaad tijdelijk zijn en niet wortelen, is dat ook niet goed voor de sociale cohesie in steden.

Daarnaast kunnen worden ze met scheve ogen aangekeken vanwege de 30-procentregeling. Na goedkeuring van de Belastingdienst kunnen werkgevers expats een belastingvrije vergoeding van 30 procent van hun loon geven.

Overigens is de looptijd van de regeling in 2019 ingekort van acht naar vijf jaar. Voor bestaande gevallen geldt een overgangsregeling tot 2021.


12. Student – leeft in een tent

studenten

Ook studenten zijn onderwerp van gesprek in het woningmarktdebat. Sinds de invoering van het sociaal leenstelsel, oftewel schuldenstelsel, is er een grote kans dat ze worden opgezadeld met een studieschuld. De studieschuld is medebepalend voor het berekenen van de maximale hypotheek.

Het ziet ernaar uit dat de huidige generatie studenten straks moeilijker een huis kan kopen dan de generaties voor hen, zeker als de huizenprijzen op het huidige hoge niveau blijven liggen.

Zoals voor veel groepen momenteel geldt, kunnen studenten ook nu moeilijk woonruimte vinden. Zelfs een kamer zit er in veel gevallen niet in. Dus blijven studenten thuiswonen of kunnen ze een tent in kruipen voor zo’n 400 euro per maand.


Lees meer over de woningmarkt: