noord brabant criminaliteit drugs wiet smokkel

Honderden miljoenen euro’s die worden witgewassen, het overmatige gebruik van ghb, een liquidatie in Breda, burgemeesters die pleiten voor een intensievere aanpak van criminaliteit: Brabantse criminelen hadden de eerste dagen van januari niet te klagen over aandacht. ‘Sodom en Gomorra’, noemde officier van justitie Greetje Bos de provincie in de Volkskrant ().

Criminaliteit en Brabant zijn een onafscheidbaar duo dat regelmatig terugkeert in de journaals en de kolommen van de kranten. Elk jaar luiden gemeentes de noodklok, melden burgemeesters dat ze zijn bedreigd, vraagt de recherche om extra capaciteit, en komen Brabantse bestuurders vragen om extra aandacht voor problemen met criminelen in Den Haag.

Maar de stevige criminaliteit in Brabant is niet iets van de afgelopen jaren – en ook niet van de laatste decennia. Brabant is van oudsher een crimineel gebied, het was een moeilijk begaanbare grensstreek, en is daarom al honderden jaren een ideale uitvalsbasis voor criminelen.

Zo was er het gebied rond de Bergsche Maas, een gegraven aftakking van de Maas. Tot 1815 lag rond de Bergsche Maas de grens tussen Brabant en Holland, rond het stadje Waalwijk, een stuk zuidelijker dan de huidige grens. Het gebied was moerassig en daardoor moeilijk begaanbaar.

Waar de grens tussen Holland en Brabant nu precies lag was onduidelijk, want het landschap leende zich er op veel plaatsen niet voor duidelijke markeringspunten aan te brengen. Het was daarom makkelijk te ontsnappen aan het gezag; het was goed schuilen in de bosrijke gebieden, en vaak was onduidelijk welke overheid waar precies moest handhaven. Het gebied werd dan ook gebruikt door stropersbendes, met fameuze namen zoals ‘De bende van de Witte Veer‘.

Botersmokkel: lucratieve handel

Ook toen de grens met Holland naar het noorden werd verlegd, bleef Brabant een aantrekkelijke streek voor criminelen. Er was nauwelijks respect voor het gezag uit Den Haag, dat door het katholieke Brabant werd beschimpt als protestants bolwerk. De dorpjes bestaan uit kleine gemeenschappen – ons kent ons, niemand verlinkt elkaar. Vaak zijn de niet-criminele dorpsbewoners  ook betrokken bij schimmige zaken. De bende van de Witte Veer heelde hun buit bijvoorbeeld zonder veel problemen aan de lokale bevolking.

Heel wat Brabanders leefden bovendien van de smokkel. Boter, koffie, sigaren, katoen, kleren, horloges: als er handel in zat, werd het illegaal over de grens gebracht. Er waren talloze smokkelroutes over de grens met België, die door slecht bewaakte natuurgebieden liepen.

Na de Tweede Wereldoorlog braken er gouden tijden aan: de boterproductie in Nederland werd gesubsidieerd, maar in België niet. De prijzen lagen daar twee keer zo hoog, en er ontstond een kleine industrie voor de botersmokkel. Er moesten geprepareerde vrachtwagens worden gemaakt, en kraaienpoten om de douane af te schudden. Die kraaienpoten maakten smokkelaars niet zelf – ze kochten die, voor vijftig cent per stuk, vertelde een smokkelaar al eens in Andere Tijden.

De smokkelaars waren slimme lui. Als ze een vrachtwagen vol boter de grens over wilden smokkelen, wisten ze feilloos hoe ze de douane moesten afschudden. “Wij zochten altijd die modderpaadjes op, want als je auto geladen is met 1500 kilo boter dan ligt hij zo vast als een huis op de weg en dan kan je makkelijk door zo’n modderweggetje rijden. De douane reed in lege wagens waardoor ze vast bleven zitten.” En anders waren er dus altijd nog de kraaienpoten, waarop de douane de banden lek reed.

Stokerijen worden drugslabs

Ook alcohol was aantrekkelijke smokkelwaar, en er waren dan ook volop illegale alcoholstokerijen in Brabant. Toen in de jaren ’70 en ’80 de productie van speed en XTC op gang kwam, was de stap klein om de stokerij voor een drugslab in te wisselen. Nederland is de grootste producent van xtc, blijkt uit verschillende rapporten, en Brabant is het brandpunt. Ook de wietteelt viert hoogtij in de zuidelijke provincies.

De smokkel en de labs – het is nooit uit Brabant verdwenen. Want hoewel Brabant nauwelijks nog een grensgebied te noemen is – er wordt immers niet meer aan de Belgische grens gecontroleerd – heeft het nog altijd een uitstekende ligging voor criminelen. Het ligt tussen de havensteden Antwerpen en Rotterdam, ideaal om drugs uit Zuid-Amerika binnen te halen en de in Brabant geproduceerde drugs naar de rest van de wereld te verschepen.

Ook de ons-kent-ons-mentaliteit is nauwelijks verdwenen. Een huurder die openlijk aan de eigenaar vraagt of hij tegen extra betaling wat plantjes in de woning mag zetten, een scholier die een baantje krijgt aangeboden als wietknipper – er wordt lang niet altijd op ingegaan, maar dergelijke informatie belandt ook zelden bij de politie. Zijn daarom de oplossingspercentages onder de rivieren fors lager dan in de rest van Nederland?