Alarmerend nieuws van enkele grote Nederlandse pensioenfondsen: er dreigen zogenoemde ‘kortingen’ op de pensioenopbouw van werknemers en de pensioenuitkeringen van gepensioneerden.

Vooral de situatie bij metaalfondsen PME en PMT is nijpend, maar ook zorgfonds PFZW en ambtenarenfonds ABP staan er niet al te florissant voor. Per saldo dreigt voor miljoenen Nederlanders een kariger pensioen.

Hoe zit dit?

De pensioenopbouw van Nederlanders bestaat in principe uit drie elementen:

  1. Het staatspensioen dat je via de AOW-uitkering krijgt.
  2. Het pensioen dat je opbouwt bij een pensioenfonds van een werkgever.
  3. Een potje voor later dat je zelf via sparen of beleggen regelt.

De problemen rond kortingen op pensioenen gaan over de zogenoemde tweede pijler: pensioenfondsen van werkgevers. En daarbij gaat het alleen over fondsen die een toezegging doen over de toekomstige uitkering. Bijvoorbeeld: het fonds baseert de toegezegde uitkering op de aanname dat je samen met de AOW zo’n 70 procent van je gemiddelde loon als pensioen overhoudt.

Wel of geen toezegging over de uitkering?

Er zijn ook werkgeversregelingen waarbij er premies worden gestort in een persoonlijke beleggingspot. Aan het eind van de rit bepaalt de omvang van die beleggingspot hoe groot je uitkering wordt. Het beleggingsrisico ligt bij de werknemer. Dit laatste betekent ook dat ‘kortingen’ niet aan de orde zijn, simpelweg omdat er geen toezegging is over de hooge van de pensioenuitkering.

Bij pensioenfondsen die wel een toezegging doen over wat ze uitkeren, controleert De Nederlandsche Bank of ze die belofte waar kunnen maken. Ze zijn gebonden aan regels over de verhouding tussen hun bezittingen (de beleggingspot) en de som van alle huidige en toekomstige pensioenuitkeringen. Toezichthouder DNB handhaaft deze regels die eisen dat er tegenover elke uitkeringsverplichting van 1 euro een vergelijkbaar bedrag aan bezittingen staat. Dit is de zogenoemde minimale dekkingsgraad.

Lees ook op Business Insider

Door omstandigheden op de beurs hebben grote pensioenfondsen al jaren moeite om aan de eisen voor de dekkingsgraad te voldoen. In 2018 speelden dalende aandelenkoersen een rol. Verder is de lage rente al jaren een probleem: een lage rente betekent bijvoorbeeld een lager rendement op obligatiebeleggingen.

Pensioenfondsen passen hun beleid aan

Omdat sprake is van een toegezegde uitkering, kan toezichthouder DNB eisen dat pensioenfondsen hun beleid aanpassen. Daarbij kunnen pensioenfondsen aan enkele knoppen draaien.

De eerste betreft de pensioenpremies: de jaarlijkse inleg kan worden verhoogd zodat er meer geld binnenkomt. Dit gebeurt al jaren en raakt vooral werknemers van pensioenfondsen die meer euro’s moeten inleggen voor eenzelfde pensioenuitkering.

Nummer twee betreft het waardevast houden van de pensioenen. Dit kan door pensioenuitkeringen en de opbouw van werknemers jaarlijks te laten meestijgen met de lonen of de inflatie. Pensioenfondsen kunnen de zogenoemde indexatie ook tijdelijk schrappen en dat scheelt veel geld. Dit is de afgelopen tien jaar volop gebeurd, waardoor zogenoemde reële waarde van pensioenen fors is gedaald. Ofwel: wat je in euro’s krijgt toegezegd, heeft minder koopkracht.

Als de eerste twee knoppen onvoldoende werken, rest nog de harde maatregel van pensioenkortingen: het absolute bedrag van pensioenuitkeringen voor huidige pensionado’s en de toekomstige uitkering voor huidige werknemers gaat omlaag. Die korting dreigt binnen enkele jaren op grote schaal plaats te vinden.

Lees meer: