Nederland blijft wat de inkomensverschillen betreft een vlak land. Bij de vermogensrijkdom is er op het eerste gezicht een extremere situatie, maar ook daar vallen kanttekeningen te plaatsen.

De discussie over financiële ongelijkheid, rijk en arm,  is weer even helemaal hip, met dank aan de Franse econooom Thomas Piketty. Die schreef een internationale bestseller schreef over’ Kapitaal in de eenentwintigste eeuw’, met een duidelijke verwijzing naar Karl Marx.

Ook in Nederland is het debat over de verdeling van de economische koek opgelaaid:  Pvda-leider Diederik Samsom zou bijvoorbeeld graag zou zien dat rijkere huishoudens met spaargeld en beleggingen in box 3 zwaarder worden belast.

Inkomensongelijkheid: Nederland nivelleert

In het debat over ongelijkheid is het belangrijk om onderscheid te maken tussen inkomensverschillen en vermogensongelijkheid.

Wat betreft de inkomensongelijkheid is het voor Nederland lastig hard te maken dat er een enorme kloof is tussen arm en rijk. De Leidse econoom Koen Caminada publiceerde samen met collega’s Kees Goudswaard, Jim Been en Marloes De Graaf-Zijl begin deze maand een actuele studie over de inkomensverdeling  in Nederland tussen 1990 en 2012.

De conclusie is hier dat verschillen in bruto-inkomsten in Nederland via herverdeling in de vorm van belastingen en sociale uitkeringen sterk worden afgevlakt.

Economen meten dit aan de hand van de zogenoemde Gini-coëfficiënt. Dit getal duidt bij een waarde van nul op een volstrekt gelijke inkomensverdeling. Bij een waarde van één verdient één persoon al het inkomen in een land. Bij een Gini-waarde van boven de 0,5 spreken economen doorgaans van een sterke inkomensongelijkheid.

In de VS is de Gini-waarde van 0,45 relatief hoog en in China is de Gini-coëfficiënt volgens recente schattingen zelfs hoger dan 0,5.

En Nederland? Uit de studie van Caminada en diens collega’s blijkt dat de Gini-coëfficiënt voor het besteedbaar inkomen zeer stabiel is:  het cijfer van 0,274 uit 2012 is vergelijkbaar met dat uit 2001.

(klik op grafiek voor uitvergroting, inkomensverdeling, berekening Caminada c.s.)

inkomensverdeling

Conclusie is dat de ongelijkheid op bruto-niveau in Nederland sinds 1990 iets is toegenomen, maar dat ook de herverdeling sterker is aangepakt. “Het stelsel van sociale uitkeringen en directe belastingen mitigeerde zo de toename in de primaire inkomensongelijkheid nagenoeg volledig”, aldus de studie.

Vermogensongelijkheid Nederland: extreem?

Maar hoe zit het dan met de vermogens? In april meldde De Volkskrant, op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat in Nederland 1 procent van de huishoudens 23 procent van het vermogen bezit. Dat is ook internationaal gezien vrij extreem.

Econoom Bas Jacobs deed de berekening van De Volkskrant over en bericht in zijn blog dat die op zich correct is uitgevoerd. De top 1 procent in Nederland heeft 23,4 procent van het vermogen en de top 5-procent 45,8 procent.

(klik op grafiek voor uitvergroting: vermogensverdeling, berekening Bas Jacobs)

vermogensverdeling

Maar, zo merkt Jacobs op, de definitie van vermogen speelt hierbij wel een grote rol. Het CBS telt als bezittingen zaken als beleggingen, spaargeld, onroerend goed en ondernemingsvermogen mee. Het vermogen dat Nederlanders in pensioenfondsen hebben zitten, valt echter buiten beschouwing. Dan gaat het om ongeveer 1.000 miljard euro aan belegd vermogen in dat voor een fors deel toegerekend zou moeten worden aan midden- en lagere inkomens.

“Veel Nederlanders hebben pensioen opgebouwd en dat vertekent de internationale vergelijking. Waarschijnlijk is de totale vermogensongelijkheid veel kleiner als ook rekening wordt gehouden met de pensioenen”, aldus Jacobs.

Rijken zwaarder belasten?

Wat Nederland betreft is dus allerminst zeker of de vermogensongelijkheid zo extreem is, als op het eerste gezicht lijkt.

Maar wat niet is, kan nog komen. Het bovengenoemde boek van Thomas Piketty schetst een toekomst waarbij in de komende decennia de vermogensrijkdom steeds sterker geconcentreerd zal raken, omdat het rendement op vermogen hoger zou liggen dan de algemene economische groei. Piketty pleit daarom voor een zwaardere belasting van vermogen.

Andere economen betwisten de toekomstvisie van Piketty en voeren ook argumenten tegen zwaardere belastingen aan. Een klassieke tegenwerping, onder meer te vinden in deze bespreking in het liberale weekblad The Economist, is dat al te zware belastingen op vermogen een rem vormen op innovatie en ondernemerschap en daarmee de economische groei fnuiken.

Plat gezegd: ondernemers als Micrsoft-oprichter Bill Gates en Google-bazen Larry Page en Sergey Brin mogen dan multi-miljardair zijn geworden. Ze hebben de wereld ook veranderd met hun innovaties en bijgedragen aan de toename van de welvaart.

Erfbelasting

Naast vermogen uit ondernemerschap bestaat er uiteraard ook overgedragen vermogen. Als vermogen uit erfenissen via beleggingen hard blijft groeien, is het nog steeds mogelijk dat nazaten van ondernemers steeds rijker worden zonder dat ze daar zelf echt veel voor hoeven te doen.

Econoom Mathijs Bouman ging afgelopen zaterdag in het Financieele Dagblad op deze kwestie in. Economisch gezien is er weinig mis met een stevige erfbelasting, zo stelt Bouman, omdat die geen economisch verstorende prikkels geeft.

Op basis van de veronderstelling van Piketty dat vermogen met 4,3 procent per jaar rendeeert, berekende Bouman hoeveel belasting je moet heffen als je wilt dat bijvoorbeeld de twee kinderen van een familie met 10 miljoen euro, die elk 5 miljoen erven, niet rijker worden door vermogensgroei.

Rekening houdend met de vermogensrendementsheffing komt Bouman op een erfbelasting van 20 procent, om te zorgen dat het vermogen per kind niet groeit. Aangezien Nederland voor kinderen een tarief van 19,7 procent hanteert bij een erfenis van vijf miljoen euro, zit ons land volgens Bouman precies goed en zijn we ‘Piketty-proof’.

Oops! We could not locate your form.

Lees ook

Succesvolle zzp’ers verdienen bovengemiddeld, arme zzp’ers kwetsbaar

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op z24.nl