Coronacrisis of niet, de huizenprijzen zijn verder gestegen in het derde kwartaal van 2020. Dat constateert onderzoeksbureau Calcasa.

De huizengekte lijkt in Amsterdam voorlopig voorbij. Van alle gemeenten met meer dan 5.000 koopwoningen stegen de prijzen in de hoofdstad dit jaar het minst.

In de provincies Flevoland, Noord-Brabant en Groningen stegen de huizenprijzen juist hard.

Met de gekte op de woningmarkt heeft de stijging van de huizenprijzen zich als een vlek over het land verspreid. Die vlek heeft ook de provincie Groningen bereikt. De huizenprijzen zijn daar zelfs het hardst gestegen in het afgelopen jaar.

Ondanks de coronacrisis zijn de huizenprijzen in Nederland nog altijd aan het stijgen, meldt woningmarktdienstverlener Calcasa in zijn kwartaalrapport.

Bestaande koopwoningen waren in 2018 aan het eind van het derde kwartaal 8,9 procent duurder dan een jaar geleden. In 2019 nam dit percentage geleidelijk af, om in 2020 weer te stijgen. Een stijging die ook in het derde kwartaal voortduurt en groter is dan de kwartalen ervoor.

In de provincie Groningen steeg de gemiddelde woningprijs met 11,3 procent op jaarbasis, die van de stad Groningen met 11,6 procent. Daarmee overtreft de Martinistad andere gemeenten met meer dan vijfduizend koopwoningen als het gaat om prijsontwikkeling.

Lees ook op Business Insider

Minste stijging in Noord-Holland en Amsterdam

Ook in de provincies Flevoland en Noord-Brabant stegen de huizenprijzen hard. Noord-Holland, waar de huizenprijzen lange tijd het hardst stegen, liet de laagste stijging zien van ‘slechts’ 7,9 procent.

En in Amsterdam, dat bekendstaat om z’n welig tierende huizengekte, stegen de huizenprijzen gemiddeld met 5,7 procent. Daarmee pakt de hoofdstad de eerste plaats in de top 10 gemeenten waar de huizenprijzen het minst hard zijn gestegen het afgelopen jaar.

Calcasa noemt Groningen daarom “het nieuwe Amsterdam van de woningmarkt”.

Het onderzoeksbureau ziet een trend waarbij de huizenprijzen niet meer het hardst stijgen in grote steden in de Randstad, maar in provinciale steden en landelijke gebieden. Dat toont de figuur hieronder waarin de prijsstijgingen van het derde kwartaal van 2018 en 2020 worden weergegeven.

Bron: Calcasa
Bron: Calcasa

Zoals je ziet stegen de prijzen in het derde kwartaal van 2018 vooral in de Randstad het hardst. In dezelfde periode in 2020 springt Groningen eruit. Dat de huizengekte zich verplaatst van stad naar provincie is ook te zien in het aantal transacties en het aantal dagen dat een huis te koop staat, schrijft Calcasa.

Vond in het derde kwartaal van 2018 de grootste toename van transacties nog plaats in de grote steden, in dezelfde periode van 2020 was dat in de gemeenten rondom de grote steden. Het aantal dagen dat een huis te koop staat, de doorlooptijd, is historisch het kortst in de steden, maar die loopt nu harder terug in de buitengebieden.

Volgens Calcasa zijn er verschillende verklaringen te noemen voor de opmars van de provincie in de huizenmarkt. We nemen ze hieronder door.

1. Huizen in de stad zijn onbetaalbaar

De huizenprijzen zijn sinds hun dieptepunt in het tweede kwartaal van 2013 met 58 procent gestegen. Nooit eerder waren ze hoog als nu in Nederland. Dat de huizenprijzen nu harder stijgen in de provincie, wil nog niet zeggen dat ze daar al op het niveau liggen van steden als Amsterdam.

Sinds 2013 zijn de woningprijzen in Amsterdam met 92 procent gestegen, in Rotterdam met 85 procent, Utrecht 88 procent en Den Haag 77 procent.

Met deze forse prijsstijgingen zijn woningen in grote steden voor veel mensen onbetaalbaar geworden en trekken ze naar andere gebieden, zoals Groningen. Gevolg is meer vraag in de buitengebieden en een stijging van de huizenprijzen aldaar, schrijft Calcassa.

2. Woningzoekenden willen meer ruimte

In 2018 stegen de prijzen van appartementen nog een stuk harder dan die van eengezinswoningen, nu staat de prijsontwikkeling van eengezinswoningen gelijk aan die van appartementen.

Vooral eengezinswoningen in provincies als Groningen, Flevoland en Noord-Brabant winnen volgens Calcasa aan waarde.

De stijgende populariteit van eengezinswoningen kan erop duiden dat woningzoekenden meer ruimte willen. Dat is schaars in de grote steden, dus trekken ze naar de provincie.

3. Mensen hoeven niet per se dicht bij hun werk te wonen

Door de coronapandemie werken meer mensen thuis dan ooit. Daarmee zijn ze wellicht tot het besef gekomen dat meer thuiswerken ook na de pandemie een optie is, waardoor een huis verder van kantoor aantrekkelijker wordt.

4. Er is gewoonweg te weinig aanbod in de steden

Na al die jaren van prijsstijgingen is er nog steeds sprake van een verkopersmarkt. Volgens Calcasa is er vooral in de grote steden een tekort aan aangeboden woningen. In veel gevallen moeten woningzoekenden daarom wel buiten de stad kijken.



Lees meer over de woningmarkt: