Komend jaar moet een aantal grote pensioenfondsen waarschijnlijk kortingen doorvoeren op de toegezegde uitkeringen, omdat de bezittingen onvoldoende zijn om aan de uitkeringsverplichtingen op de lange termijn te voldoen. Dat probleem wordt mogelijk nóg nijpender.

Een commissie onder leiding van oud-minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem heeft dinsdag geadviseerd dat de regels die pensioenfondsen gebruiken om de waarde van hun bezittingen en verplichtingen vast te stellen, verder moeten worden aangescherpt vanaf 2020.

Gevolg van het advies is dat de dekkingsgraad, die de verhouding tussen de verplichtingen en bezittingen van pensioenfondsen weergeeft, met gemiddeld 2,5 procentpunt zou dalen. Dit vergroot de kans meer pensioenfondsen de komende jaren onder een kritische grens zakken met hun financiële buffers, waardoor pijnlijke ingrepen nodig zijn.

Pensioenfondsen: rendement op beleggen

Waar gaat het precies om? Pensioenfondsen krijgen elke vijf jaar een richtlijn die ze moeten hanteren voor het verwachte rendement op hun beleggingen, de zogenoemde rekenrente. Hoe lager die prognose, des te trager de verwachte groei van de beleggingspot die nodig is om aan alle uitkeringsverplichtingen op de lange termijn te voldoen.

Aangezien het hier gaat om pensioenen waarbij er toezeggingen zijn over de uitkeringen, bijvoorbeeld een aanvulling op de AOW-uitkering tot 70 procent van het gemiddelde loon, moeten pensioenfondsen bij aanhoudend zwakke financiële buffers noodmaatregelen nemen. Dat kan door bijvoorbeeld de pensioenpremies te verhogen, maar zo’n maatregelen treft alleen de werkende deelnemers van een fonds.

In laatste instantie is korting op pensioenuitkeringen (en de opbouw van huidige werkenden) een noodzakelijk paardenmiddel, omdat jongere generaties anders eenzijdig de dupe worden van toekomstige problemen met de uitkering van pensioenen.

Lees meer: Waarom je pensioen daalt, uitgelegd in 500 woorden

Lees ook op Business Insider

Rente laag, maar aandelen leveren ook minder op

Belangrijke vraag is waar nu precies de pijn zit bij het beursrendement. Een blik op het advies van de commissie onder leiding van Dijsselbloem, levert een opvallende conclusie op. Probleem is niet alleen de lage rente op vastrentende waarden zoals staatsobligaties, ook voor de aandelenmarkt zijn de experts van de commissie een stuk somberder.

De lage rente is al langer een groot probleem voor pensioenfondsen die fors in obligaties beleggen. Door het goedkoopgeldbeleid van centrale banken zijn rentes op financiële markten al jaren kunstmatig laag. Afgelopen week werd het marktrendement voor 10-jarige staatsobligaties zelfs negatief. Dit betekent dat de staat gratis kan lenen, maar dat beleggers zoals pensioenfondsen in theorie geld moet toeleggen als ze optreden als geldschieter van de overheid.

De Commissie Parameters, zoals de club van Dijsselbloem officieel het, adviseert om voor de rente op staatsobligaties te blijven uitgaan van de verwachting van beleggers op termijnmarkten over de rente-ontwikkeling. En beleggers gaan momenteel uit van rentes die zeer laag blijven de komende jaren.

Het grote verschil is de aanpassing die Dijsselbloem en co doen voor andere beleggingscategorieën. Voor het bruto rendement op verschillende soorten beleggingen geeft dat het volgende beeld.

Te zien is dat de nieuwe prognose vooral voor aandelen, niet-beursgenoteerd vastgoed en grondstoffen een stuk lager is.

Zo gaat de Commissie Parameters voor beursgenoteerde aandelen uit van een rendement vóór aftrek van kosten van gemiddeld 5,8 procent per jaar. Dat is liefst 1,2 procentpunt lager dan de oude prognose.

Voor niet-beursgenoteerd vastgoed daalt de verwachting van het jaarlijkse rendement met 1,2 procentpunt naar 4,8 procent. Voor grondstoffen is sprake van een daling met 1,5 procentpunt naar gemiddeld 3,5 procent rendement.

De Commissie geeft ook een inschatting van kosten om te komen tot een netto rendement.

Bij aandelen en beleggingen in grondstoffen zijn die kosten relatief laag. Maar dat geldt niet voor de categorie ‘overig zakelijk’. Denk hierbij aan beleggingen in speculatieve hedgefondsen en private equity (niet-beursgenoteerde bedrijven). De Commissie gaat ervan uit dat deze beleggingen netto precies evenveel opleveren als beleggen in beursgenoteerde aandelen, te weten 5,6 procent per jaar.

Hoewel het bruto rendement van de beleggingscategorie ‘overig zakelijk’ relatief hoog wordt ingeschat op 7,5 procent, rekent de Commissie ook met fors hogere kosten van 1,9 procentpunt, waardoor het netto rendement gelijk is aan beleggen in aandelen op de beurs.

Het advies van de Commissie Parameters is bedoeld voor professionele pensioenfondsen, maar is ook een boodschap voor particuliere beleggers die bijvoorbeeld zelf vermogen opbouwen voor de oude dag: wees voorzichtig met de inschattingen van wat je op de beurs kunt verdienen de komende jaren.

LEES OOK: Zo lang duurt het om €10.000 te verdubbelen, als de beurs jaarlijks 4% stijgt… of juist 8%