Werkgevers en vakbonden zijn het op hoofdlijnen eens over de hervorming van het pensioenstelsel.

Pensioenen worden straks niet meer gekoppeld aan de hoogte van het loon, maar zijn afhankelijk van het beursrendement.

In het conceptakkoord zijn veel details nog niet ingevuld. Daarmee blijft de onzekerheid voor deelnemers van pensioenfondsen voorlopig groot.

Werkgevers en vakbonden zijn eruit over de wijze waarop ze het pensioenstelsel willen hervormen.

Dinsdag gaf de achterban van vakbond CNV groen licht. FNV heeft naar verwachting nog een paar dagen nodig om de achterban te overtuigen.

De hoofdlijnen van het pensioenakkoord lekten vrijdag uit via onder meer het Financieele Dagblad en De Telegraaf.

Duidelijk is dat een hoop belangrijke details nog moeten worden ingevuld. Hieronder nemen we een aantal kernpunten door, inclusief vragen die nog open liggen.

Lees ook op Business Insider

Geen koppeling meer van pensioen aan het loon van werknemers

De hervorming van het pensioenstelsel heeft betrekking op pensioen dat werknemers opbouwen bij een pensioenfonds van hun werkgever.

Pensioenfondsen doen in het huidige stelsel in de meeste gevallen een toezegging over een uitkering die gekoppeld is aan bijvoorbeeld 70 procent van het gemiddelde loon.

De financiële buffers van veel pensioenfondsen zijn te laag geworden om op de lange termijn aan alle uitkeringsverplichtingen te voldoen. Daardoor ontstaat het risico dat huidige werknemers niet dezelfde uitkering krijgen als huidige gepensioneerden. Hiervoor moet een oplossing voor komen.

Verreweg de meest ingrijpende wijziging in het nieuwe pensioenstelsel is het schrappen van een min of meer harde toezegging over de toekomstige pensioenuitkering. De koppeling aan de hoogte van het loon van werknemers wordt losgelaten.

In plaats daarvan wordt een prognose gemaakt van het verwachte pensioen op basis van de beursontwikkelingen. Afhankelijk van het rendement op de beurs kan het pensioen voor deelnemers aan pensioenfondsen hoger of lager uitpakken op het moment dat ze met pensioen gaan.

Geen rekenrente, geen kortingen: wel schommelende verwachting over pensioen

Pensioenfondsen moeten in het huidige stelsel rekening houden met de verhouding tussen hun bezittingen en de som van de toekomstige pensioenuitkeringen. Die uitkeringen zijn gebaseerd op toezeggingen die gekoppeld zijn aan het loon.

Hoe sterk of zwak de financiële positie van pensioenfondsen is, hangt mede af van aannames over de ontwikkelingen op financiële markten. Daarvoor wordt de zogenoemde rekenrente gebruikt.

Als uit de prognoses blijkt dat pensioenfondsen in de toekomst niet aan al hun uitkeringsverplichtingen kunnen voldoen, op basis van de rekenrente, moet er worden ingegrepen. Anders dreigt voor huidige jongeren immers later een kariger pensioen.

Dit leidt tot veel discussie over het realiteitsgehalte van de gehanteerde rekenrente; als je een roze bril opzet, wordt het probleem minder groot.

In het verlengde daarvan ligt de vraag of er bij problemen gekort moet worden op de huidige pensioenuitkeringen en de opbouw van werknemers.

In het nieuwe pensioenstelsel is er straks geen rekenrente meer: omdat er geen belofte meer is over de hoogte van de uiteindelijke pensioenuitkering, hoeft er ook niet meer gekort te worden als het even minder gaat op de beurs. Wat er dan gebeurt, is dat deelnemers te horen krijgen dat de inschatting van het toekomstige pensioen wordt verlaagd.

Gaat het heel goed op de beurs, dan kan de inschatting van het toekomstige pensioen ook hoger uitvallen.

Overgangsfase: geen of beperkte korting op pensioen

De verwachting is dat het nieuwe pensioensysteem in 2026 in moet gaan. In de tussenliggende periode is sprake van een overgangsfase. Vraag is hoe dan wordt omgegaan met korting op de pensioenen als de financiële positie van pensioenfondsen te zwak is volgens de huidige regels.

Volgens zowel het FD als De Telegraaf willen vakbonden en werkgevers dat de regels voor de overgangsfase worden versoepeld. Pas als een pensioenfonds een dekkingsgraad heeft van lager dan 90 procent zou korting aan orde kunnen komen. Dat wil zeggen: als er per 1 euro aan uitkeringsverplichtingen minder dan 90 eurocent aan bezittingen staat.

Twee soorten pensioenregelingen

Zoals gezegd wordt het pensioen van werknemers afhankelijk van een ‘projectierendement’, een prognose over de toekomstige pensioenuitkeringen gebaseerd op de beursontwikkelingen. Daarbij zijn volgens het conceptakkoord tussen werkgevers en werknemers twee varianten mogelijk.

In de ene variant wordt de premie-inleg collectief belegd, maar houden deelnemers daar wel een eigen aandeel in. Vakbonden hebben ervoor gepleit om bij deze pensioenregeling zogenoemde ‘solidariteitsreserve’ in te bouwen.

Het gaat hier om een speciaal potje dat ingezet kan worden als het een tijdje erg slecht gaat met de beurs en pensioenen lager uit dreigen te vallen.

Er is echter nog veel onduidelijkheid over de regels die voor zo’n pot gelden. Die kan er immers voor zorgen dat oudere werknemers die op korte termijn met pensioen gaan, profiteren van een wat hogere uitkering. Maar dat betekent ook dat jonge werknemers meer risico lopen als er een hap uit de reservepot wordt genomen.

De tweede variant is een volledig individuele pensioenregeling, waarbij ook op individueel niveau wordt belegd.

Belangrijke vraag in dit verband is welke consequenties dit heeft voor het beleggingsbeleid van pensioenfondsen.

Als er op individueel niveau wordt belegd, ontstaat sowieso de noodzaak om minder risicovol te beleggen naarmate de pensioendatum nadert. Dit kan fors schelen in de uiteindelijke hoogte van de vermogenspot en de pensioenuitkering.

Bij collectief beleggen kun je de beleggingsmix in principe constant houden, maar er kan wel een probleem ontstaan als deelnemers een individueel aandeel krijgen in een collectieve beleggingspot en op verschillende momenten met pensioen gaan.

Lees in dit verband: Je pensioen wordt afhankelijk van de beurs: om deze reden kan je zomaar €100.000 euro minder opbouwen voor een latere uitkering

Overgangsregeling: wat gebeurt er met oude pensioenrechten?

Deelnemers aan huidige pensioenregelingen krijgen bij de overgang een berekening voorgeschoteld van wat ze aan pensioen mogen verwachten in het huidige systeem en onder het nieuwe stelsel.

Belangrijk verschil is dat de huidige toezegging een bindende belofte is, gekoppeld aan de hoogte van het loon. De nieuwe toezegging is daarentegen niets anders dan een prognose.

Vraag is bovendien wat er moet gebeuren als de prognose voor de pensioenuitkering in het nieuwe stelsel lager uitvalt dan de huidige pensioenaanspraak. Komt er compensatie en wie gaat dat betalen?

In het conceptakkoord staat volgens De Telegraaf dat werkgevers en werknemers per sector of onderneming moeten bekijken hoe ze eventuele compensatie regelen als er gaten dreigen te vallen bij de overgang.

Op dit punt blijft er dus voor individuele deelnemers van pensioenfondsen nog veel onzekerheid, tot de plannen per fonds echt zijn uitgewerkt.

LEES OOK: Zo krijg je grip op je financiën tijdens de coronacrisis – dit zijn potjes die je kunt aanspreken en hier moet je vanaf blijven