Nooit meer sneeuw tijdens de kerstdagen, nooit meer een Elfstedentocht (de laatste werd meer dan twintig jaar geleden geschaatst): de Europese winters stellen steeds minder voor, zo lijkt het wel.

Ook komend weekend kan de zonnebril weer op, want met temperaturen rond de 15 graden lijkt het wel lente.

Alleen wintersporters moeten nog serieus rekening houden met autorijden op besneeuwde wegen. Hoe zorg je ervoor dat je dan niet komt vast te zitten of van de weg af glijdt? Hier volgen vijf tips voor autorijden in de sneeuw.


1. Je auto kan de sneeuw heus wel aan. Jij ook?

Foto: Ferrari

Of je auto nu aandrijving heeft op voor- of achterwielen, op twee of vier wielen: met ieder autotype valt in de sneeuw te rijden. Sommige auto’s hebben van zichzelf betere sneeuweigenschappen dan andere, maar met iedere auto kun je rijden als het sneeuwt. Heus wel.

Autorijden is natuurkunde. Eens komt het moment waarop de massa maal de snelheid van de auto de grip van de wielen en het onderstel te machtig wordt. Dan gaat het zaakje schuiven. Ieder autotype doet dat op zijn eigen manier.

Eigenaren van SUV’s wanen zich veiliger omdat ze vierwielaandrijving hebben – meestal. Helemaal fout. De naam zegt het al: SUV’s zijn auto’s voor domme mensen. Ze zijn hoger en zwaarder dan gewone auto’s. Hun zwaartepunt ligt daardoor ook hoger, waardoor ze meer overhellen in snel genomen bochten.

Lees ook op Business Insider

Auto’s met vier aangedreven wielen hebben in principe twee keer zoveel grip. Maar ook zij verliezen die een keer. Dan gaan ze ook twee keer zo hard, en is het minstens vier keer zo moeilijk om tijdig en adequaat in te grijpen.

Voorwielaandrijvers – bijna alle auto’s hebben dat vandaag de dag – hebben de neiging met de neus rechtuit te gaan als ze hun grip op het wegdek beginnen te verliezen. Onderstuur heet dat, in het jargon van de autogek. Verder insturen naar links of naar rechts werkt averechts: hoe dwarser de wielen op de rijrichting staan, hoe geringer de grip van de banden. Gas minderen helpt meestal wel. Dan beweegt de neus weer naar binnen, de richting van de bocht in.

Maar laat het gaspedaal NOOIT ineens helemaal opkomen! Dat kan leiden tot een plotselinge en hevige verschuiving in de gewichtsverdeling, waardoor juist de achterkant van de auto kan uitbreken. Dan vouwt je auto zich onzacht tot een banaan om die boom of lantaarnpaal, die meestal net op die plek aan de kant van de weg staat – een gevaarlijk soort ongeluk, typisch voor voorwielaandrijvers.

Achterwielaandrijvers hebben van zichzelf al die neiging – om met hun kont rechtuit te gaan als ze grip verliezen. Dat heet overstuur. Autogekken vinden dat juist een pré, want daardoor kun je zo leuk ‘driften’: de auto gecontroleerd laten uitbreken, al tegensturend, en dan met schuivende kont de bocht door. Heerlijk. Als het lukt.

Besneeuwde wegen zijn ideaal om op te driften. Sneeuw biedt namelijk best veel grip. Heel wat meer dan ijs of ijzel, in ieder geval. Wel eerst goed oefenen op een afgesloten plek – een verlaten parkeerplaats, of, nog veel beter, op een circuit. Het allerbeste is een slip- of racecursus volgen. Kijk maar eens op de site van de Rensportschool Zandvoort. Goedkoop zijn die racecursussen niet, maar het is het geilste dat je ooit zult doen.

Iedere automobilist zou het één keer moeten hebben meegemaakt. Hoe dat voelt, wanneer je de controle echt helemaal kwijt bent en je alleen maar kunt toekijken hoe je auto als een blok beton met een gangetje van tachtig tot honderd kilometer per uur over het asfalt schuift, in een niet door jou gekozen richting. Hoe lang het dan duurt voordat hij stilstaat. Dat is iedere keer weer verbazingwekkend. De Engelsen hebben daar een mooie uitdrukking voor: hitting the scenery. Op het circuit kun je dat nadoen zonder dat je je auto total loss rijdt of, nog veel erger, slachtoffers maakt.

Het zou eigenlijk een verplicht nummer moeten zijn voor iedereen die zijn rijbewijs wil halen. Want de zwakke schakel is niet je auto.

Dat ben jij, de bestuurder. Daarover straks meer.


2. Jij draagt winterschoenen als het sneeuwt. Je auto heeft die ook nodig

Foto: John Weast/Getty Images

Winterbanden zijn in veel Europese landen verplicht gedurende de wintermaanden – hier vind je een overzicht. Verplicht zijn ze bijvoorbeeld in Duitsland, Oostenrijk en Luxemburg. Niet in Zwitserland, gek genoeg. Maar ook daar waar ze niet verplicht zijn, zijn het aanraders wanneer het koud, nat en glad is.

Winterbanden hebben rubber van een andere samenstelling, waardoor ze ook soepel blijven bij temperaturen beneden de zeven graden Celsius. En diepere groeven, waardoor ze meer grip geven op gladde wegen. ‘Sneeuwbanden’ bestaan niet. Wel speciale winterbanden voor extreme omstandigheden: temperaturen van min tien graden of nog erger. Dat komt in Nederland niet voor. Net zo min als je hier spijkerbanden nodig hebt. Omdat die moordend zijn voor het wegdek, is het gebruik in de meeste landen onderworpen aan strenge regels of helemaal verboden.

Winterbanden alleen volstaan niet altijd. Zeker niet als het hard sneeuwt, en je moet rijden op steile wegen. Dan heb je ook nog sneeuwkettingen nodig. Als je gaat wintersporten, moet er een paar sneeuwkettingen in de kofferbak liggen. Oefen wel thuis even hoe je ze moet omleggen. Er zijn tegenwoordig sneeuwkettingen te koop die in een oogwenk zijn aan te brengen, maar die zijn wel wat duurder. Je kunt ze overigens ook huren. Hier vind je alle informatie die je nodig hebt over ‘winterschoeisel’ voor je auto.

Wat verder altijd handig is als je de sneeuw tegemoet rijdt: een kleine schop om je wielen te kunnen uitgraven als ze te diep in de sneeuw zijn gezakt, en iets dat je op de sneeuw kunt leggen om ze weer grip te geven. Daarvoor bestaan speciale plastic rijplaten, maar kattebakkorrels zijn ook heel effectief. De ANWB heeft een pagina met goeie tips.


3. Rij rustig

Foto: frankieleon/Flickr

De ANWB herhaalt hem terecht tot vervelens toe: een gouden regel voor autorijden in de sneeuw is “alles rustiger doen”.

ALLES. Rustiger wegrijden. Rustiger insturen in bochten. Voorzichtiger remmen. Geleidelijker gas geven en eerder je voet van het gas halen. Eerder opschakelen: hoe lager het toerental van de motor, hoe kleiner de kans dat de aangedreven wielen ‘doorslaan’.

Het eindresultaat is dat je langzamer rijdt, ja. Dat is ook precies de bedoeling. Als je niet zo hard gaat, is het ook minder erg als je auto gaat glijden – en dat doet hij een keer. Meestal zal hij zichzelf corrigeren. Als je je genoodzaakt voelt dat zelf te doen: doe ook dat dan rustiger. Stuur een beetje tegen. Of zet de voorwielen juist recht: dan hebben ze maximale grip.

Mocht dat allemaal niet helpen, dan glij je in ieder geval minder hard the scenery in, en maak je ook minder schade – aan jezelf en aan anderen.

Misschien een leuke tegelwijsheid voor in de plee in de winter: “Kus de vangrail, nooit je tegenligger.”


4. Bereid je goed voor

Foto: AP Photo/Jessica Hill

Even kijken wat er nog ontbreekt aan het winterlijstje voor de auto.

Winterbanden staan er al op. Sneeuwkettingen. Hulpmiddelen om hem los te krijgen wanneer je toch vast komt te zitten.

De ruitenkrabber nog niet! Heel belangrijk. Een dik pak sneeuw kun je met de mouw van je winterjas wel van de auto vegen. Maar daaronder zit altijd ijs. Vaak op lastige plekken – in de open gleuf tussen de motorkap en de voorruit bijvoorbeeld. Laat dat maar zitten, dat smelt vanzelf weg wanneer de motor warm is. Als je dat gaat wegkrabben, kun je gemakkelijk de lak van je auto beschadigen.

De ruiten niet; autoglas is keihard. En die moeten altijd schoon zijn, anders zie je niks. Vaak zie je mensen eerst hun auto starten en dan pas hun ruiten schoonkrabben. Niet doen. Eerst krabben, dan starten en meteen wegrijden. Een automotor warmt het snelst op wanneer hij moet werken. Stationair draaiend duurt dat langer. En hoe kouder de motor, hoe vuiler de uitlaatgassen.

Vergeet ook niet om altijd voldoende warme kleding mee te nemen wanneer je met de auto de sneeuw opzoekt. En warme, stevige schoenen. Als je strandt, moet je de auto uit kunnen zonder half dood te vriezen.

O ja, en je telefoonoplader natuurlijk, zodat je nooit met een uitgeputte batterij zit wanneer je hulpdiensten moet bellen en je naasten moet informeren.

Maar die ligt het hele jaar door al in de auto.


5. Hou je route in de gaten

Foto: ANWB

Probeer onderweg op de hoogte te blijven van mogelijke verrassingen die de wegen en het weer op jouw route voor je in petto hebben.

Sneeuwval. IJzel. Mist. Files. Kettingbotsingen. Wegwerken.

Veel moderne auto’s toveren die informatie desgewenst realtime tevoorschijn op hun infotainment-beeldscherm in het dashboard.

Zo niet, dan kan het verbazingwekkend lastig zijn via je smartphone – handsfree, in de standaard, dat spreekt voor zich – op het internet actuele informatie te vinden over JOUW route, op het moment dat JIJ daar rijdt.

De radio blijft dan de meest betrouwbare optie. Die praat je in ieder geval eens per uur bij, en breekt soms in met het laatste nieuws.

Lees meer: