Zelf vermogen opbouwen als (extra) pensioen voor later is best een uitdaging.

Maar hoe stel je vast wat je aan jezelf kunt uitkeren op basis van een opgebouwd vermogen?

Beursexpert Hendrik Oude Nijhuis geeft een simpele vuistregel om uit te vinden wat je jezelf later kunt uitkeren.

ANALYSE – Het is een interessant vraagstuk waar ik zelf geen perfect antwoord op heb…

Een mooi vermogen opbouwen voor later is een uitdaging op zich. Maar bepalen hoeveel er vervolgens mag worden uitgegeven in de periode die volgt – die van ontsparen – is misschien wel net zo lastig. Niemand weet immers van tevoren hoe oud hij of zij wordt, en hoe de financiële markten zich tijdens jouw pensioenperiode zullen gedragen.

Grof gesteld is de hoogte van het bedrag dat jaarlijks uitgegeven mag worden afhankelijk van twee scenario’s. Of je kiest voor een vermogen dat min of meer stabiel blijft (of stabiel dalend), terwijl het pensioeninkomen sterk fluctueert. Of je gaat voor een min of meer stabiel pensioeninkomen waarbij juist het vermogen fluctueert.

Lees ook: Hogere AOW-leeftijd vermijden en toch eerder stoppen met werken? Zolang heb je als 30’er, 40’er, 50’er en jonge 60’er om financieel iets te regelen voor je pensioen

Inkomen uit je vermogen: 4% per jaar als pensioen

Als we voortbouwen op de tweede gedachte van een min of meer stabiel pensioeninkomen, dan kun je het volgende doen. Tel, bij wijze van gedachte-experiment, de waarde van je bezittingen bij elkaar op (dus niet enkel de eventuele aandelenbeleggingen). En breng hierop eventuele schulden in mindering.

De kans is heel hoog dat, wanneer je jaarlijks 4 procent van het berekende bedrag uitgeeft, waarbij vervolgens ieder jaar voor inflatie wordt gecorrigeerd, er na dertig jaar nog steeds geld over is.

Is het vermogen berekend op 500.000 euro, dan is je berekende pensioeninkomen in dit voorbeeld in het eerste jaar 20.000 euro en in het tweede jaar 20.400 euro (bij een inflatie van 2 procent), enzovoorts.

De hoge kans dat een beleggingsportefeuille met 4 procent onttrekking en jaarlijkse aanpassing aan de inflatie, na dertig jaar nog steeds niet geheel is weggesmolten, is gebaseerd op studies die zijn gedaan naar scenario’s van portefeuilles die voor de helft bestaan uit aandelen en voor de helft uit obligaties. Heel wel mogelijk wijkt jouw persoonlijke vermogensmix hiervan af.

Vuistregel: 25 keer gewenst pensioeninkomen als vermogen

De 4% jaarlijkse ontsparing leidt er in veruit de meeste gevallen toe dat het opgebouwde vermogen na drie decennia niet volledig is verdwenen. Dat impliceert dat het omgekeerde daarvan, namelijk dat een vermogen van 25 keer het gewenste pensioeninkomen voldoende is om met pensioen te kunnen.

Wie rekening houdt met een kortere periode van onttrekking – vanwege een lagere resterende levensverwachting of bijvoorbeeld omdat na verloop van tijd nog een andere pensioenuitkering beschikbaar komt – kan uitgaan van een hoger onttrekkingspercentage.

Wie verwacht heel lang van zijn of haar pensioen te genieten (bijvoorbeeld aanhangers van de uit de Verenigde Staten overgewaaide FIRE-beweging), doet er wellicht verstandig aan uit te gaan van een nog wat lager percentage dan de genoemde 4 procent. Dat geldt eveneens voor wie extra risicomijdend is, juist ook vanwege de actuele lage rente.

Velen beschouwen pensioen als een tijd van ontspannen en genieten, zonder steeds complexe berekeningen over de uitgaven te hoeven maken. Ik kan mij in die kijk goed vinden.

Bovengenoemde simpele vuistregel, bij voorkeur toegepast in combinatie met enige flexibiliteit aan de uitgavenkant, biedt wellicht echter enige houvast voor het financiële vraagstuk betreffende de tijd van ontspannen.

Hendrik Oude Nijhuis is medeoprichter van beleggingsfonds ValueMachinesFund en heeft zich jarenlang verdiept in de strategieën van ‘s werelds beste beleggers. Zijn bestseller over Warren Buffett is gratis beschikbaar.