Wie overstapt naar een nieuwe werkgever, krijgt meestal ook een andere pensioenregeling. Neem je je oude pensioen mee of niet?

Vanaf 2019 wordt waardeoverdracht verplicht voor zogenaamde ‘kleine’ pensioenen. Een pensioen is klein als je maximaal 467,89 euro per jaar krijgt. Dit heeft het nieuwe kabinet in november besloten.

Waardeoverdracht is het overzetten van de waarde van je oude pensioen naar je nieuwe pensioenregeling als je van baan verandert.

Prima dat kleine pensioenen voortaan automatisch worden overgezet. Een klein pensioen mag namelijk door het pensioenfonds worden afgekocht als het niet wordt meegenomen naar de nieuwe pensioenregeling. Vooral mensen met veel kleine flex- en parttimebaantjes bouwen zo nauwelijks pensioen op.

Maar het is altijd verstandig om na te denken over waardeoverdracht, ook als het niet om een klein pensioen gaat. Als je vijf jaar hebt gewerkt en anderhalf keer modaal verdient, is je pensioen – afhankelijk van je leeftijd – minstens enkele tienduizenden euro’s waard. Let daarom hier op als je van baan verandert:

1. Waardeoverdracht mag altijd

Tot 2015 mocht je oude pensioenen alleen meenemen binnen zes maanden na je overstap naar een nieuwe werkgever. Daarna kon dat niet. Sindsdien is er geen bedenktijd meer. Je mag je oude pensioen meenemen wanneer je maar wilt – tenminste, als je sinds begin 2015 bent overgestapt.

Ben je voor die tijd overgestapt, dan mag je je oude pensioenen – alle oude pensioenen dus – pas meenemen als je wederom overgaat naar een andere pensioenregeling.

2. Type pensioen

Bij de meeste pensioenregelingen is de hoogte van het pensioen gegarandeerd. Dat heet het middelloonstelsel. Bij een toenemend aantal regelingen echter hangt de hoogte van het pensioen af van de beleggingsresultaten: dat heet een beschikbare premie-regeling. Nu is het pensioen natuurlijk altijd afhankelijk van de beleggingsresultaten, maar bij de beschikbare premie-regeling is de onzekerheid meer ingebakken.

3. Flexibiliteit

Pensioenregelingen verschillen nogal qua flexibiliteit. Bij sommige uitvoerders mag je al op je 55ste met pensioen, bij andere pas vanaf je 62ste. Ook op het gebied van deeltijdpensioen en hoog/laag-pensioen verschillen pensioenregelingen. In principe geldt natuurlijk: hoe meer keuze, hoe beter de pensioenregeling is.

4. Dekkingsgraad

Hoe gezond staat je oude en je nieuwe fonds er voor? Hoe hoger de dekkingsgraad, des te beter. Een gezond fonds kan niet alleen de verplichtingen nakomen, maar kan ook indexeren. Dat wil zeggen: de pensioenen jaarlijks verhogen met de inflatie.

Dat is een onderschat punt. Veel fondsen indexeren al jaren niet meer. Dat betekent dat de koopkracht van veel pensioenen nu 10 tot 15 procent lager ligt dan bij het uitbreken van de kredietcrisis.

5. Carrièreperspectief

Ga je nog carrière maken? Dan is het vaak slim om je oude pensioen mee te nemen. Zo kan het meegroeien met je carrière.

6. Partnerpensioen

Bij steeds meer pensioenregelingen vervalt het partnerpensioen zodra je uit dienst bent, maar nog niet met pensioen gaat. Het partnerpensioen is dan geen apart potje, maar het is verzekerd. Dat wil zeggen dat er een overlijdensrisicoverzekering wordt afgesloten.

Zodra je uit dienst gaat, wordt er niet langer premie betaald en vervalt de dekking. Dat kan dramatisch uitpakken: er is dan nul pensioen voor je nabestaanden.

Paul van der Kwast is onafhankelijk financieel planner en verdient geen geld aan de verkoop van financiële producten. Voor Business Insider volgt hij de pensioenontwikkelingen op de voet.

LEES OOK: 4 redenen waarom je pensioen een tikkende tijdbom is