En we noemen ze…. Stabiliteitsobligaties! Het is een prachtige vondst van de
Europese Commissie (EC). Als Europa euro-obligaties gaat uitgegeven, keert
de stabiliteit in het eurogebied hopelijk terug. Daarom noemen we die dingen
Stabiliteitsobligaties, want wensen staat vrij.

Zo werkt dat in Brussel. Milieuverpestende overproductie heet ‘Algemeen
Landbouwbeleid’, verspillende subsidies gaan door het leven als
‘Structuurfondsen’ en de slappe begrotingsafspraken heten ‘Stabiliteits- en
Groeipact’. En nu dus die Stabiliteitsobligaties.

Kwetsbaar systeem
De term komt uit een uitgelekt rapport dat de Europese Commissie woensdag
publiceert. Het is een studie naar de mogelijkheden om in Europa gezamenlijk
obligaties uit te geven. Nu leent ieder land zelfstandig op de
kapitaalmarkt, maar dat is een buitengewoon kwetsbaar systeem gebleken.

Als iedereen apart leent, moet ieder land, op ieder moment, tegen een
betaalbare rente kunnen lenen. Er is geen ruimte voor twijfel over de
kredietwaardigheid van één van de zeventien lidstaten. Iedereen moet een
voldoende scoren, op straffe van kapitaalvlucht die uiteindelijk, via de
gevreesde besmetting, alle landen van de muntunie in gevaar brengt.

Als de eurolanden hun kredietwaardigheid delen, en gezamenlijk de
kapitaalmarkt opgaan, is het systeem veel stabieler. Dan beoordelen
investeerders het eurogebied als geheel. De lage kredietwaardigheid van
Griekenland wordt opgevangen door de hoge kredietwaardigheid van Nederland.

Het eurogebied heeft een lagere staatsschuld en een lager begrotingstekort dan
Japan of de Verenigde Staten. Als die landen kunnen lenen, dan kan de
eurozone dat ook. Mits de eurolanden gezamenlijk optrekken.

Duitse blokkade
Vandaar dat sinds het uitbreken van de eurocrisis in 2010 de roep om
gezamenlijke obligatie-uitgifte steeds luider klinkt. Tot nu toe stuitte de
voorstellen echter steeds op een blokkade van Duitsland.

Begrijpelijk, want met een euro-obligatie staat Duistland feitelijk garant
voor alle staatsschuld in het eurogebied. De probleemlanden kunnen weer
lenen tegen normale rentes, en hebben geen enkele dwingende reden meer om te
bezuinigen en hun economie te herstructureren. Duitsland is het haasje, tot
in lengte van jaren.

Eerst moeten de probleemlanden laten zien dat ze hun binnenlandse problemen
aanpakken, redeneren de Duitsers, dan pas heeft het zin om over een
gezamenlijke obligatie na te denken.

Lapmiddelen nodig
Maar nu de eurocrisis in een stroomversnelling raakt, is er voor dat soort
principes geen tijd meer. Kapitaalvlucht uit Europa dreigt. Er moet nu iets
gebeuren. Het noodfonds moet veel groter, de Europese Centrale Bank (ECB)
moet alle euroschuld garanderen, of we voeren de euro-obligatie in. En
misschien zijn alle drie deze lapmiddelen nodig.

Duitsland kan niet langer volstaan met strenge taal richting Zuid-Europa en
hoogdravende liefdesverklaringen aan de rest van Europa. Terwijl Berlijn
draalt, ontploft de eurozone.

Niets te vroeg dus, dat rapport van de Europese Commissie. De studie laat zien
dat invoeren van een euro-obligatie (okay, ‘Stabiliteitsobligatie’), op
verschillende manieren kan.

Morgen beginnen
De snelste manier is door lidstaten simpelweg elkaars obligatie-uitgiftes te
laten garanderen. Daar is geen wijziging van het EU-verdrag voor nodig. Men
kan er morgen mee beginnen.

Die snelheid is ook het nadeel van deze oplossing. Want sterke eurolanden
kunnen overmorgen de garanties weer intrekken. De twijfel van financiële
markten over de stabiliteit van de euro wordt daarom mogelijk niet helemaal
weggenomen.

Voor een stevigere aanpak, waarbij Europa echt gezamenlijke obligaties gaat
uitgeven, is wel een verdragswijziging nodig. Dat gaat dus lang duren. Maar
als Europa er serieus mee aan de slag gaat, zou het vooruitzicht op een
oplossing de acute crisis misschien toch kunnen temperen.

Tucht van de markt
Om de Duitsers gerust te stellen, wil de Europese Commissie de euro-obligatie
gepaard laten gaan met nieuwe begrotingsregels en intensiever toezicht. En
in één van de onderzochte varianten blijft ook de tucht van de markt werken.

In die variant kunnen probleemlanden niet hun hele staatsschuld in
euro-obligaties lenen, maar komt er een limiet van 60 procent van het bruto
binnenlands product. Daarboven zouden eurolanden op eigen houtje, en tegen
een hogere rente, zelf de markt op moeten. Wie teveel leent, wordt dus nog
steeds gestraft.

Een land als Spanje zou daar mee zijn geholpen, want de Spaanse staatsschuld
ligt maar net boven de 60 procent. Maar voor Italië, met een staatsschuld
van 120 procent, helpt het niet veel.

Invoeren van de euro-obligatie lost dus niet alle problemen op, en creëert
waarschijnlijk nieuwe. Maar de urgentie van de eurocrisis dwingt politici
tot handelen. Beter een matige oplossing, dan helemaal geen oplossing.

Lees ook:

Euro-obligatie: de ene is de andere niet

President DNB pleit voor euro-obligaties

'Geen euro zonder euro-obligaties'

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op z24.nl