Van de wind kun je niet leven, luidt het gezegde. Maar de 32 agrariërs in de Wieringermeer die onlangs hun windmolens verkochten aan Nuon, denken daar waarschijnlijk anders over.

Financiële details zijn niet geopenbaard. Toch lijkt het erop dat de deal die het Windcollectief Wieringermeer met het energiebedrijf sloot, de eigenaren van in een klap rijk maakte. “Nuon deed een aanbod dat we niet konden weigeren”, luidde de veelzeggende verklaring van Jaap van der Beek, voorzitter van het Windcollectief, dat optrad namens de windmoleneigenaren.

De boeren kozen dus voor een smak geld ineens, in plaats van toekomstige winsten over een lange reeks van jaren. Bovendien draait niet het collectief, maar Nuon nu op voor de noodzakelijke, vele tientallen miljoenen euro’s kostende vervanging van de molens door grotere en modernere exemplaren. Nadat het nieuwe windpark klaar is, mogen de boeren hun oude molens nog vijf jaar laten draaien.

Verdienen aan windmolens, met subsidie

“Windenergie is big business in Nederland”, erkent Axel Posthumus, directeur van de coöperatieve Windunie, belangenbehartiger en adviseur van zo’n 250 eigenaren van windmolens. Volgens Posthumus illustreert de deal die het Windcollectief Wieringermeer sloot met Nuon hoe profijtelijk windenergie kan uitpakken voor ondernemende agrariërs.

Nieuw is dat niet. Eind jaren ’90 ontdekten akkerbouwers, veehouders en tuinders in, vooral, Flevoland, Noord-Holland en Friesland al dat windmolens kunnen lonen. De kostprijs van de door hun turbines opgewekte elektriciteit oversteeg weliswaar flink de marktprijs voor stroom, maar dat verlies werd ruim gecompenseerd door de overheid, die kwistig met subsidie strooide.

Anno 2017 is dat niet anders. De overheid zet zwaar in ‘hernieuwbare elektriciteit’. De subsidieregeling van eind vorige eeuw is inmiddels vervangen door de Stimulering Duurzame Energieproductie, SDE+ genaamd. In 2017 en 2018 is telkens zo’n 12 miljard euro beschikbaar. Vele honderden miljoenen uit die pot gaan naar windmolenprojecten op het vasteland. De periode waarover een door de overheid goedgekeurd project op subsidie kan rekenen is bovendien opgerekt tot vijftien jaar.

windmolnes, boeren

foto: ANP

Overheid biedt stabiliteit

Of SDE+ aantrekkelijk is? Jazeker, vindt Posthumus: “Ondernemers weten waar ze aan toe zijn. Er is stabiliteit in het subsidiebeleid.” Bij de vaststelling van de subsidie wordt de marktprijs van elektriciteit verdisconteerd – van de subsidie afgetrokken. Bij een hoge marktprijs voor stroom gaat de subsidie dus naar nul. Maar bij een lage prijs is de windmoleneigenaar wel verzekerd van een bepaalde prijs en een rendement van zo’n 7 à 10 procent.

Boeren slaan daarop aan, want het gaat om forse bedragen. Een rekenvoorbeeld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland laat zien dat een dik 4 miljoen euro kostende windmolen met een capaciteit van 3 Megawatt, op basis van de subsidieregeling van 2017 zo’n 450.000 euro omzet (waarvan 300.000 euro subsidie) per jaar kan genereren.

Gauw een windmolen bouwen, dan maar? “Zo gemakkelijk is het niet. Daar komt heel veel bij kijken”, zegt Posthumus. “De regels zijn heel strak. Projecten vereisen een lange voorbereidingstijd. In die fase moet je zelf de kosten moet dragen.”

Daarbij is het overheidsbeleid tegenwoordig sterk gericht op de bouw van strak gestroomlijnde parken van tien, twintig of zelfs meer molens met wieken die een hoogte van 200 meter of meer bereiken. Zulke turbines leveren veel meer vermogen dan de huidige, zelfstandig geplaatste windmolens van individuele boeren die vaak kriskras in het landschap staan.

Belang van boeren ligt anders dan dat van omwonenden

De schaalvergroting en hoge investeringen nopen grondeigenaren tot samenwerking. Vandaar dat boeren zich verenigen in een coöperatie of BV. Belangenconflicten liggen echter altijd op de loer. Uit commercieel oogpunt wil elke eigenaar immers zoveel mogelijk turbines op zijn eigen perceel.

Ondernemers worden het vaak wel eens, leert de praktijk. De meeste windmolenprojecten sneuvelen of komen niet van de grond om een andere reden, aldus Posthumus: “Gebrek aan draagvlak bij omwonenden.” De klachten zijn legio. Zoals horizonvervuiling, slagschaduw van de wieken, weerspiegeling van zonlicht, permanent zoevend geluid, waardedaling van de woning.

Plannen voor een windpark kunnen een lokale gemeenschap splijten. In 2009 bijvoorbeeld, overviel een select clubje boeren in de Drentse Veenkoloniën de inwoners van diverse dorpen met vergevorderde plannen voor een groot en lucratief windpark. De locaties van de windmolens bleken al bepaald. Van overleg vooraf met omwonenden was geen sprake. Het hele project bleek al met Rijk afgekaart.

De gevolgen waren, zacht gezegd, naar. Vroegere dikke vrienden kregen slaande ruzie. Buren spraken niet meer met elkaar. Kerkgemeenschappen vielen uiteen. Tegenstanders saboteerden de maïsoogst van een van de ‘graaiers’. Het project zit in een diepe impasse. Twijfelachtig is of er in de Veenkoloniën ooit windmolens worden gebouwd.

De les? “Initiatiefnemers voor windparken doen er goed aan in een zo vroeg mogelijk stadium met burgers overleg te voeren, om samen te zoeken naar de beste locatie”, adviseert Axel Posthumus.

Wat ook helpt voor het verkrijgen van draagvlak: omwonenden, of zelfs de hele lokale gemeenschap mee laten delen in de verwachte winst van het park. Geld kan de smeerolie zijn die windmolens soepel laat draaien.