Staatssecretaris Wiebes van Financiën staat onder druk om over te stappen op een vermogensbelasting die alleen daadwerkelijk behaalde winsten belast. Maar hij laat zich terecht niet opjagen door de Tweede Kamer, stelt Z24’s Jeroen de Boer.

Het kabinet Rutte wil vanaf 2017 de belasting op spaargeld en beleggingen zo aanpassen dat een getrapt systeem ontstaat. Daarbij geldt nog steeds een fictief jaarlijks rendement dat tegen 30 procent wordt belast. Nieuw is dat bij hogere vermogens wordt gerekend met een hoger rendement, dus die betalen iets meer. Zie hier voor de complete uitleg.

Belasting op daadwerkelijke vermogenswinst

Critici stellen dat de nieuwe vermogensheffing nog steeds ‘onrechtvaardig’ is, omdat er geen rekening wordt gehouden met de echte opbrengsten van spaargeld en beleggingen. Staatssecretaris Eric Wiebes staat vanuit de Tweede Kamer onder druk om nog een stap verder te gaan: een belasting op spaargeld, beleggingen en onroerend goed die alleen daadwerkelijke winsten belast. Wiebes wil daar wel naar kijken, maar ruim de tijd nemen, zo meldt Het Financieele Dagblad vrijdag. Dus in ieder geval niet meer in de huidige kabinetsperiode.

Dat Wiebes zich niet laat opjagen door de hijgerigheid van de Tweede Kamer mag een zegen heten. Voorstanders van een snelle invoering van de vermogensbelasting op daadwerkelijke winsten lijken namelijk niets geleerd te hebben van eerdere IT-debacles bij de Belastingdienst, zoals de ondoordachte taakverzwaring met huur- en zorgtoeslagen.

De Algemene Rekenkamer oordeelde in 2013 dat de fraude bij huur- en zorgtoeslagen weinig te maken had met de inzet van belastingambtenaren, maar vooral te wijten was aan de complexiteit van de door de Tweede Kamer aangenomen wetgeving die ze moesten uitvoeren.

Wiebes gaf afgelopen donderdag dan ook terecht aan dat de vormgeving van een reële heffing op vermogen geen haastklus mag worden. “We willen de belastingbetaler niet weer opzadelen met de schoenendoos, maar ook de Belastingdienst niet”, zo citeert het FD de staatssecretaris.

Digitale registratie winst en verlies effecten

Het Centraal Planbureau betoogde afgelopen week dat toenemende digitalisering bij banken en andere vermogensbeheerders afbreuk doet aan het argument dat technische complexiteit een obstakel vormt voor een reële vermogensheffing. Te meer omdat financiële instellingen vanuit Europa vanaf 2016 worden verplicht om rente, dividend en vermogensopbrengsten van hun klanten bij te houden.

Lees ook op Business Insider

Toch is dit alles minder simpel dan het lijkt. De digitale route bij het verzamelen van informatie is bijvoorbeeld in landen die al wel een reële vermogensbelasting kennen zeker geen gemeengoed. Zo moet in Australië de belastingplichtige zelf een berekening maken van het verschil tussen verkoop- en aankoopprijzen van onder meer aandelen. Winst en verlies per transactie moeten op een formulier voor de Australische fiscus worden verwerkt. Voor het Verenigde Koninkrijk geldt hetzelfde

Dit is de spreekwoordelijke ‘schoenendoos’ van Wiebes: de fiscus kan fraude in zo’n systeem alleen  steeksproefgewijs controleren door transactieafschriften op te vragen. Daar kleven grote nadelen aan bij de uitvoering. Het argument ‘andere landen doen het al’ klinkt vanuit het oogpunt van efficiëntie en fraudegevoeligheid dus niet bijster sterk.

Hebben banken administratie op orde?

Stel dat ook Nederland overschakelt op een belasting op gerealiseerde winsten bij de verkoop van effecten, wat internationaal gangbaar is. Dan zou de Belastingdienst een systeem moeten opzetten waarbij banken naadloos kunnen oplepelen welke verkooptransacties klanten in een jaar hebben gedaan en of die transacties winst dan wel verlies hebben opgeleverd.

Je zou op z’n minst moeten afwachten of banken dat onder druk van de Europese richtlijn in 2016 foutloos kunnen doen — immers, ook banken hebben geen smetteloos trackrecord op IT-gebied. Dat Wiebes waarschuwt voor haastwerk bij het opzetten van een digitaal rapportagesysteem lijkt dus niet meer dan redelijk.

Een fundamentele kwestie die je hierbij nog zou moeten aanpakken, is de timing van vermogenswinsten: veel landen die met een reële vermogensheffing werken, maken bijvoorbeeld onderscheid tussen kortetermijnwinsten (bijvoorbeeld kopen en verkopen binnen één jaar) en effecten die langere tijd worden aangehouden. Kortetermijnwinsten worden daarbij zwaarder belast. Hoe gaan we dat in Nederland doen?

Verder blijft het zo dat bij een reële heffing op inkomen uit onroerend goed — bijvoorbeeld tweede huizen in box 3 — huurinkomsten apart moeten worden opgegeven en gecontroleerd door de fiscus. In het huidige systeem dat werkt met een fictief rendement doen daadwerkelijke huurinkomsten niet ter zake.

Fors schommelende belastinginkomsten

Tot slot moeten Tweede Kamerleden zich goed bewust zijn van de gevolgen van een reële vermogensheffing voor de stabiliteit van de belastinginkomsten. De huidige belasting in box 3 levert de schatkist per jaar ongeveer 3,5 miljard euro op. Bij een reële heffing op vermogenswinsten gaan de inkomsten meer schommelen. Zo schatte het CPB eerder dit jaar dat de staat in de crisisjaren tussen 2008 en 2012 tot 80 procent minder belasting binnen had gekregen als er toen met daadwerkelijke rendementen was gewerkt (onder meer door de daling van de spaarrente).

Politici moeten er dus rekening mee houden dat een heffing op daadwerkelijke vermogenswinsten procyclisch werkt. De gewetensvraag hierbij is: gaat Den Haag in magere jaren tegenvallers bij de vermogensbelasting opvangen door elders belastingen te verhogen? En omgekeerd: worden in vette jaren hogere belastingopbrengsten gebruikt om af te lossen op de staatsschuld, of gaan we toch liever strooien met ‘leuke dingen’ voor de burger?

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op z24.nl