Ter onderbouwing van de werkelijke rendementen van aandelen wijzen we je op een
interessante matrixfiguur
die je aantreft op de website van The New
York Times:

Ter verduidelijking van deze figuur: op de diagonale as lees je telkens het
jaar dat met beleggen gestart wordt, op de horizontale as het jaar dat met
het beleggen gestopt wordt. De oudste data in de figuur gaat terug tot 1920,
en in totaal is sprake van bijna 4.000 mogelijke combinaties.

Aan de hand van kleuren is vervolgens te zien hoeveel nettorendement in een
bepaalde periode nu eigenlijk gerealiseerd is. Een donkerrode kleur geeft
aan dat het rendement minder is geweest dan de inflatie; een donkergroene
kleur dat na inflatie juist meer dan 1 procent rendement per jaar behaald is.

Aan de rechterkant van de tweede diagonale lijn bevinden zich alle periodes
waarbij de beleggingsperiode langer dan 20 jaar geweest is. Zoals je ziet is
hier vrijwel zonder uitzondering sprake van fletse kleurschakeringen. Met
andere woorden: jaarlijkse netto rendementen van minder dan de inflatie of
van meer dan 10 procent boven het inflatieniveau komen slechts bij hoge
uitzondering voor wanneer de beleggingsperiode 20 jaar of langer is.

Vergoedingsfees, belasting en inflatie
Kijkend naar de beleggingsperiodes van 20 jaar geldt dat de mediaan van het
netto jaarrendement op 4,1 procent ligt. De mediaan geeft, zoals je
waarschijnlijk wel weet, het middelste cijfers weer in een cijferreeks. Met
andere woorden: in 50 procent van alle gevallen was dus sprake van minder
dan 4,1% netto rendement op jaarbasis. En in de andere 50 procent juist meer.

Hoe kan dit nu? Aandelen, zo is toch altijd beweerd, leveren op lange termijn
toch een gemiddeld jaarrendement op van een procent of 8 (inclusief
dividend)? Dat klopt, maar om het nettorendement vast te stellen dient
vervolgens nog wel rekening gehouden te worden met een paar belangrijke
factoren: vergoedingsfees (bij beleggingsfondsen al snel 1 procent van het
vermogen), belastingen (de vermogensrendementsheffing bedraagt 1,2 procent)
en inflatie (zeg circa 2 procent per jaar).

Tezamen maakt dat 4,2 procent. Beleggers moeten in dit geval dus eerst 4,2
procent verdienen alvorens zij er daadwerkelijk in koopkracht op vooruit
gaan. Bruto leveren aandelen dus weliswaar ongeveer 8 procent op, maar na
het in mindering brengen van de vergoedingsfees, belastingen en inflatie,
blijft daar nog slechts de helft van over. En hierbij is nog niet eens
opgemerkt dat de meeste fondsbeheerders slechter presteren dan het rendement
van de Amerikaanse S&P 500-index, waar deze matrixfiguur zelf op gebaseerd
is.

Lees ook op Business Insider

Volatiele rendementen
Uit de matrixfiguur wordt ook duidelijk – vanwege het vele ‘grijs’ rechtsboven
(het gaat hier om heel lange beleggingsperiodes, tot een van duur van wel 90
jaar) – dat de rendementen van aandelen op heel lange termijn vrij stabiel
zijn. Maar op kortere periodes, zelfs die tot 20 jaar, kunnen de rendementen
toch behoorlijk volatiel zijn. Zo is in de beste periode (1948 – 1968)
sprake van een netto rendement van 8,4 procent per jaar. En in de slechtste
periode (1961 – 1981) van een netto rendement van minus 2 procent per jaar.
Dit slechte rendement in deze laatste periode werd overigens vooral
veroorzaakt door de hoge inflatie in de tussenliggende jaren.

Alternatieven bieden weinig soelaas
Dan maar niet beleggen? Een erg aantrekkelijk alternatief lijkt dat evenmin:
inflatie en vermogensrendementsheffing blijven immers ook dan gewoon aan je
vermogen doorknagen. Deze twee factoren maken als het ware dat het aangaan
van schulden gestimuleerd wordt, en het opbouwen van vermogen juist
gestraft. En door aan (sommige) schulden ook nog eens allerlei
belastingvoordeeltjes te koppelen, wordt de spaarzin van de gemiddelde
Nederlander al helemaal de kop ingedrukt.

Met een spaarrekening met vrij opneembaar tegoed mag je momenteel uw handen
dichtknijpen met een rente van 2 tot 2,5% per jaar. Vanwege de
vermogensrendementsheffing en inflatie bent u daarmee vrijwel zeker van een
negatief koopkrachtrendement.

Net als spaarders die een negatieve koopkrachtontwikkeling wacht, stellen ook
beleggers in de vaak veelgeprezen indexfondsen hun verwachtingen beter
neerwaarts bij. Zoals uit de figuur blijkt is het op wat langere termijn
niet reëel om een gemiddeld nettorendement van 8 tot 10 procent per jaar te
verwachten van indexfondsen (en de overgrote meerderheid van andere
beleggingsfondsen).

Hendrik Oude Nijhuis heeft zich jarenlang verdiept in de strategieën van ‘s
werelds beste beleggers en is tevens oprichter van
warrenbuffett.nl
over de beleggingsstrategie van Warren Buffett.

Lees ook:

Hendrik Oude Nijhuis: let op woekerpremies bij aandelen

Hendrik Oude Nijhuis: Garanties aan Ierland kosten wel
degelijk geld

Hendrik Oude Nijhuis: Rendement bric’s valt soms vies
tegen

Hendrik Oude Nijhuis: tips baten belegger niet, strategie
wel

Hendrik Oude Nijhuis: Bernanke straft spaarders

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op z24.nl